‘Google en Facebook zijn zo rijk dankzij óns harde werk’

Glen Weyl, microsoft-onderzoeker en auteur

Met een vakbond, datastakingen en het collectief opsporen van privacyschendingen zouden gebruikers de macht terug moeten pakken, stelt rijzende ster Glen Weyl.

‘Mensen die gamen of hele dagen online zijn, zijn wel degelijk productief bezig.’ Foto Martial Trezzini / EPA

Elke zoekopdracht op Google en like op Facebook voedt de systemen van deze datareuzen. De bedrijven zijn met hulp van alle data die ze verzamelen in korte tijd de rijkste ondernemingen van de wereld geworden, behalen winsten van miljarden dollars per jaar en zijn inmiddels banken en energiereuzen voorbij als de bedrijven met de allerhoogste beurswaardes.

„Zij zijn vooral zo rijk dankzij óns harde werk”, zegt de Amerikaanse politiek econoom Glen Weyl. „Wij leveren allemaal waardevolle arbeid aan deze bedrijven, dus het is tijd dat we daar eerlijker voor beloond gaan worden.”

Weyl, net 33, donker krullend haar, kettinkje met Davidster boven zijn hemd met korte mouwen, is een rijzende ster in de politiek-economische wetenschap. Hij doet onderzoek aan Yale, werkt als onderzoeker bij Microsoft Research en schreef samen met hoogleraar Eric Posner (University of Chicago) het boek Radical Markets, dat de laatste maand veel losmaakt.

Hij was onlangs in het Europees Parlement op uitnodiging van Paul Tang (PvdA). Die europarlemetariër richtte vorige maand, geïnspireerd door Weyl, de eerste Datavakbond van de wereld op in Amsterdam. Later deze maand is de eerste vergadering. „Een heel goed begin”, zegt Weyl. „Het is hoopvol dat het in Europa opgepikt wordt.”

Past de term ‘vakbond’ niet meer in de 19e eeuw dan de 21e eeuw?

„Je kunt het noemen hoe je wilt maar het gaat erom dat de onderhandelingsmacht verschuift van grote techbedrijven naar de mensen die daadwerkelijk de waarde creëren.”

Hoe verschuif je die machtsbalans? Hoe kom je als datavakbond überhaupt aan tafel bij reuzen als Google en Facebook?

„Bijvoorbeeld door data-stakingen. Mensen in een datavakbond zouden bijvoorbeeld allemaal via een gezamenlijke digitale toegangspoort, een VPN-server, kunnen inloggen op Facebook of Google. Als de leden Facebook of Google onder druk willen zetten, kunnen ze de VPN afsnijden zodat deze bedrijven geen data meer van ze krijgen. Eerst kunnen ze bijvoorbeeld het digitaal tracken en cookies van de bedrijven blokkeren, en eventueel zelfs het hele gebruik van deze diensten. Daar heb je natuurlijk wel eerst kritische massa voor nodig. En dit soort acties vergen wat nieuwe technische middelen, bijvoorbeeld om stakingsbrekers te voorkomen, maar die middelen zijn nou ook weer niet zo heel geavanceerd.”

En als staken niet werkt?

„Een andere manier waarop een datavakbond onderhandelmacht kan krijgen, is door schendingen op te sporen van de nieuwe Europese privacywet door de datareuzen. Overtredingen van die wet kunnen leiden tot boetes van miljarden euro’s voor deze bedrijven, dus naar iemand die een serieuze schending vindt, willen ze waarschijnlijk wel luisteren.”

Waarom is een datavakbond nodig?

„Ik pleit voor een breed gedragen data-arbeidersbeweging. Een vakbond is daar een onderdeel van, naast maatschappelijk en politiek bewustzijn. Het arbeidsaandeel, de fractie van het geld in de economie dat naar arbeiders gaat, is in de techsector één van de laagste in de hele economie. Technologiebedrijven staan op een vergelijkbare plek als extractieve industrieën zoals oliemaatschappijen. De techindusrie is ook een soort extractieve industrie, maar dan winnen ze privé-informatie uit mensen. En dat is het interessante aan een datavakbond. Die is er niet alleen om onderhandelingsmacht te krijgen, maar kan ook een soort klassenbewustzijn creëren. Mensen bewustmaken dat deze bedrijven heel veel waarde van ze afnemen.”

Lees ook het opiniestuk van Paul Tang, die een datavakbond wil oprichten: “Tegenover Facebook moet een tegenmacht komen”

Voor welke problemen is een datavakbond een oplossing?

„De manier waarop de techsector werkt zou best eens een voorbode kunnen zijn voor de hele economie. Als dat zo is, betekent dat dat er iets heel fundamenteels moet veranderen aan de manier waarop we onze economie inrichten. Het is onhoudbaar dat zo’n groot deel van de welvaart naar zo’n klein clubje bedrijven gaat.”

Eén van uw werkgevers, Microsoft, zit ook bij het clubje allerrijkste techbedrijven.

„Microsoft staat inderdaad ook in dat rijtje. Ik werk weliswaar bij Microsoft maar als onafhankelijk onderzoeker. Mijn ideeën zijn geen bedrijfsbeleid.”

Een ander groot probleem volgens Weyl is dat mensen zich vervreemd voelen van de technologische economie. „Mensen voelen zich als kinderen behandeld. Er zijn bijvoorbeeld allerlei werkloze mensen die de hele dag gamen of online doorbrengen. Die zijn wel degelijk productief in de data-economie, want ze creëren en leveren de techbedrijven met hun activiteit allerlei waardevolle gegevens. Nu wordt dat alleen niet erkend, en ontstaat er een hele klasse van mensen die zich nutteloos voelt terwijl ze wel degelijk wat inbrengt. Dat zorgt voor boosheid.”

Hoeveel zouden mensen betaald moeten krijgen voor hun datawerk? Is dat niet heel lastig te bepalen?

„Een eerlijk loon is voor datawerkers makkelijker te bepalen dan in een ouderwetse fabriek. Daar is het moeilijk te zien wat er precies gebeurt als je één individu weghaalt uit het productieproces. Met data en algoritmes kun je juist heel specifiek meten wat de data van één iemand voor invloed hebben op het proces. Je kunt er vrij eenvoudig wiskundige analyses op loslaten om die waarde om te zetten naar geld.”

„Natuurlijk is het zo dat we allerlei nieuwe manieren moeten bedenken om een eerlijke verdeling tot stand te brengen. Nogmaals, een datavakbond is maar een deel van de oplossing. In de 19e eeuw ontstonden ook eerst vakbonden, vervolgens het klassebewustzijn van arbeiders, daarna reageerden bedrijven en ontstonden uiteindelijk betere arbeidswetten. Een datavakbond is een eerste stap die nodig is om de economie opnieuw uit te vinden voor de grote transitie waarin we nu zitten.”

    • Wouter van Noort