Column

Eindhoven

Ik kwam er niet vaak, maar als ik er dan was maakte Eindhoven altijd een goed georganiseerde indruk. Dat begon al op het station, overzichtelijk en schoon. De laatste keer, ik ging naar een Jesse Klaver-event in de Effenaar, dacht ik: het kan dus wel in Nederland, een moderne middelgrote stad.

Jesse Klaver, dat herinner ik me nog, was ook onder de indruk. Hij hield de zaal tenminste voor dat hij van Nederland één groot Eindhoven wilde maken. Later in de verkiezingscampagne zou hij iets soortgelijks ook over Nijmegen en Utrecht zeggen, maar dat wisten we toen nog niet. Al die Brabanders klappen, ik keek voor de zekerheid nog maar eens goed om me heen.

Gisteren was ik er weer. Ik moest naar het Parktheater, ook al zo’n gebouw dat veel fraaier en grootser oogt dan theaters in vergelijkbare steden. De taxichauffeur had een modern navigatiesysteem dat het hele dashboard in beslag nam. Hij kon er ook mee bellen, gamen, televisiekijken en internetten. Hij demonstreerde graag wat er allemaal mee kon.

„Sjanet!!”, riep hij. Een paar kilometer verderop nam een mij onbekende vrouw haar mobiel op.

„Hee Sjanet! Wa-eten wij?”

„Rosbief.”

„Nou, dat wilde ik even weten.”

Tegen mij: „Geen handjes gebruikt, want dat mag niet.” Ik had wel vaker een handsfree telefoongesprek meegemaakt, maar ik complimenteerde hem toch.

Hij: „Dat vinden wij in Eindhoven heel normaal.”

We passeerden het Philips Stadion. „Het voetbalstadion van PSV, onze landskampioen…”

Ik zei dat ik wel vaker een voetbalstadion had gezien en noemde er een paar: Gelredome, De Kuip, de Johan Cruijff Arena… Hij haalde de schouders op en zei dat ‘de stadions’ in Eindhoven qua beeld en geluid veel verder waren. Hij begon over het Parktheater en ‘de Eindhovense artiesten’ die daar triomfen hadden gevierd: Hans Teeuwen, Theo Maassen, Ronald Goedemondt…

„En waar ga jij heen?”

Ik zei dat ik naar ‘NRC on tour’ ging. Hij had nog nooit van het gezelschap gehoord. Ik legde uit dat het een krant was.

Hij: „Die gooien wij in Eindhoven gewoon door de brievenbus, maar dat zullen jullie wel weer gek vinden. Net als Guus Meeuwis, die vinden jullie toch ook gek?”

Hij tikte op zijn dashboard, er zat ook een rekenmachine in, en rekende voor: „Vier avonden in het Philips Stadion, vier keer 30 duizend kaarten van vijftig euro… Een hele gekke Brabander.”

Ik: „Min de belasting.”

Hij: „Ja. En?”

Bij het afrekenen zei ik dat ze in Eindhoven veel slimmer en verder waren dan in de rest van het land. Ik kreeg nog net geen korting. De blijdschap waarmee het compliment werd geïnhaleerd stelde me op de een of andere manier gerust.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.