Aaltje en Berend Moed met hun dochter Bea: „Bea heeft ook wel heel erg veel geleerd.”

Foto Olivier Middendorp

Wonen in de Wielenpôlle, een van de armste wijken van Nederland

Leven in armoede

Als je in de Wielenpôlle woont, voel je je minder dan anderen en is de gemeente de baas over je leven. Over Berend, Aaltje en hun dochter Bea die naar het gymnasium ging.

De pake van Berend Moed liet een nieuw schip bouwen. Het geld leende hij van de familie van zijn vrouw. Dat was in 1910. Toen kreeg zijn vrouw tyfus. Ze ging dood. Pake, net dertig, bleef achter met vijf kleine kinderen. Hij moest zijn schulden onmiddellijk afbetalen, zo was het afgesproken. Vrouw dood, geld terug.

Dat werd dus van maandag tot zaterdag varen voor de boeren (aarde, zand, bieten) en in het weekend twee nachten voor een rederij. De kinderen werden uitbesteed, behalve Berend Moeds heit. „Die moest mee als schippersknecht”, zegt Berend Moed. Een jongetje van zeven.

„Dat was een heel minne tijd”, zegt zijn vrouw, Aaltje Moed.

„Later kwamen de crisisjaren”, zegt Berend Moed. „Toen werd ik geboren. Dat was ook een heel minne tijd.”

„Maar jij was allinne met je heit en mem”, zegt Aaltje Moed. „Dat scheelde wel, dat er maar één kind was.”

Ze zitten tegenover elkaar aan tafel in hun huis, nou ja, huisje, aan de rand van de Wielenpôlle, een van de armste wijken van Nederland, in Leeuwarden. De Wielenpôlle werd in de jaren vijftig gebouwd voor schippers die aan wal kwamen, voor kampers en dagloners en mensen uit de krotten in de binnenstad. Hun kinderen en kleinkinderen wonen er nog steeds.

„Schippers werden beschouwd als zigeuners”, zegt Berend Moed. „Als pake op zondag in zijn schipperskleren naar de kerk ging, kwam er geen één naast hem zitten.”

„Je pake en je heit wouden nooit hulp van een ander”, zegt Aaltje Moed.

„Nee, o, nee”, zegt Berend Moed. „Dat wouden ze helemaal niet. Het waren vrijgevochten mensen. Ze hadden hun trots.”

„Als pake op zondag in zijn schipperskleren naar de kerk ging, kwam er geen één naast hem zitten”

In de winter als er ijs lag, en er niet gevaren kon worden, hielp Berend Moeds vader schaatsers over de wakken onder de bruggen heen. Als de wakken bevroren, hakte hij ze ’s nachts weer open.

Aaltje Moed was een meisje van dertien toen ze op een dag met haar moeder in de bus naar huis reed en er een boerin bij hen kwam zitten, een grote boerin, rijk. „Ze zei,” zegt Aaltje Moed, „dat ze er één nodig had voor het huishouden. Heb jij een fammie voor me? En toen” – na al die jaren is ze er nog steeds verontwaardigd over – „zei mijn moeder dat ze mij kon krijgen”. Haar werd niets gevraagd.

Schrobben en boenen en wassen en poetsen van voor het ontbijt tot na de avondboterham, voor zes gulden in de week. Die moest ze thuis afdragen. En nog had ze geen behoorlijke klompen aan haar voeten.

De heit van Aaltje Moed was dagloner. Haar mem zorgde voor de kinderen, vijf dochters. Door de oorlog waren ze weinig naar school geweest. In de winter gingen ze sowieso niet, geen brandstof. Op zaterdag ook niet, want dan was er tekenles en hun moeder had liever dat ze de ramen lapten.

Aaltje en Berend Moed wonen in de Wielenpôlle sinds 1963, Berend was vroeger timmerman. „Jij had het luxe”, zegt zijn vrouw tegen hem. „Jij mocht naar de ambachtsschool.” Ze hadden destijds al vier kinderen, in 1971 kwam er onbedoeld een nakomertje, een meisje. Ze wisten niet hoe ze haar zouden noemen. De huisarts die de bevalling had begeleid zei: Bea. De eerste letters van hun eigen namen. Berend Moed had maandenlang ’s avonds bijgeklust om een nieuwe babyuitzet te kunnen kopen.

Foto Olivier Middendorp
Het huis van de familie Moed.
Foto Olivier Middendorp
Het huis van de familie Moed.
Foto’s Olivier Middendorp

Nooit naar een ouderavond

Bea Moed was anders dan de andere kinderen. Op school had ze de hoogste cijfers. Zo knap, dachten haar ouders. Die moest maar naar de mavo. De meester kwam op bezoek. Mavo? Bea moest naar het gymnasium! Goed dan, het gymnasium, al hadden haar ouders geen idee wat dat was. „Een drama”, zegt Bea Moed. „Ze hadden daar nog nooit een leerling uit ons postcodegebied gehad. Na mij ook nooit meer. Het komt gewoon nooit voor, een kind uit de Wielenpôlle dat naar het gymnasium gaat.”

Bea Moed was anders dan de andere kinderen. Op school had ze de hoogste cijfers. Zo knap, dachten haar ouders. Die moest maar naar de mavo

Bea Moed zit in haar kantoor, anderhalve kilometer bij haar ouders vandaan. Zij zegt: als je wilt begrijpen waarom het vaak zo slecht gaat met mensen in de Wielenpôlle – geen diploma’s, werkloosheid, gebroken gezinnen, drank en drugs en criminaliteit – en je vindt dat het anders moet, kijk dan ook naar de generaties voor hen.

Zelf heeft ze zich vaak afgevraagd hoe het kwam dat ze niet met haar schoolboeken aan tafel mocht zitten. En waarom gingen haar ouders nooit naar een ouderavond? Ze denkt dat ze inmiddels het antwoord wel weet. „In de wereld van de Wielenpôlle,” zegt ze, „is je familie alles, echt alles. Als ze jou een beweging zien maken waardoor jij in een wereld komt die ze niet kennen en niet begrijpen, proberen ze je tegen te houden. Niet met opzet, dat gaat vanzelf. Dy minsken binne mear as ús. Zo zegt mijn moeder het. Die mensen zijn meer dan wij. Ze kijken op ons neer. Blijf bij ze weg.”

Foto Olivier Middendorp

Twee van haar drie zussen wonen nog altijd bij haar ouders om de hoek. Haar broer woont er ook, met zijn Wielenpôlle-problemen. Volgens Bea Moed is het allang niet meer de armoede die de mensen daar in de greep houdt. „Ze hebben allemaal een breedbeeldtelevisie en er zijn er maar weinig zonder auto. Of die niet met vakantie gaan.” Het is hun achterstand, hun diepe wantrouwen tegen alles wat van buiten komt. Al helemaal tegen de overheid.

In de zesde klas van het gymnasium moest Bea Moed bedenken wat ze wilde worden. Hondentrimster leek haar wel wat. Het werd rechten omdat Arnie Alberts uit Goede Tijden, Slechte Tijden dat studeerde. Daarna werkte ze bij de Rabobank en ze verhuisde, met haar man, naar een boerderijtje in de buurt van Appelscha. Ze zag haar familie nauwelijks meer, alleen haar ouders.

In de zesde klas van het gymnasium moest Bea Moed bedenken wat ze wilde worden. Hondentrimster leek haar wel wat. Het werd rechten omdat Arnie Alberts uit Goede Tijden, Slechte Tijden dat studeerde

Toen werd het 6 mei 2002, de moord op Pim Fortuyn. Haar zoon was net geboren, haar eerste. Ze lag in het ziekenhuis en keek op televisie naar de begrafenis. De mensen die langs de weg stonden te kijken, met hun woede en hun verdriet, dat waren háár mensen. Ze hoorde de discussies over de samenleving die gespleten was geraakt en ze besloot: ik ga me ermee bemoeien.

Ze deed een spoedcursus sociaal werk en kwam terecht bij een organisatie in Leeuwarden. „Er waren twee wijken waar niemand het uithield”, zegt ze. „De Wielenpôlle en de Schepenbuurt, waar ik op de kleuterschool heb gezeten. Ik zei: die wil ik wel.”

De desillusie! Want wat zag ze daar? Keurige welzijnswerkers die uit hun keurige buurt op de fiets naar de Wielenpôlle gingen om de mensen te vertellen dat ze geen cola in de flesjes van hun baby moesten doen en niet elke avond pizza moesten eten. Groente! Moestuinen! „Welzijnswerkers willen altijd iets met moestuinen”, zegt Bea Moed. „Gezond eten en veel in de natuur. En joggen. En niet roken. Zie je het voor je? Kampers? Als jouw ouders en grootouders niks hadden, ben je trots dat jij niet meer hoeft te lopen en geld hebt om naar de snackbar de gaan.” Al die inspanningen, en er veranderde helemaal niets.

Foto Olivier Middendorp

Bea Moed was laatst op een congres, het ging over ‘systeemwereld’ en ‘leefwereld’, over de ‘inclusieve samenleving’. „Ik zei: all inclusive zullen jullie bedoelen, Center Parcs kan er nog wat van leren. Vijftig jaar hulpverlening heeft van de Wielenpôlle een all inclusive-wijk gemaakt. Uitkering, kindpakketten, voedselpakketten, psychologische hulp, het wordt geleverd aan de voordeur, en wat is het resultaat? Trotse mensen worden afhankelijk gemaakt. Ze gaan kijken of er nog meer te halen valt en doen alsof ze meewerken. En wie is de baas over hun leven? De gemeente. Die weet alles van je en bemoeit zich overal mee en bepaalt dat je niet naar school mag omdat je in de bijstand zit en alleen papier mag prikken en er dus nooit meer uitkomt.”

En dan de kosten, miljoenen euro’s per jaar. „Als je het uitdeelt, 240 gezinnen, zou iedereen uit de schulden zijn.” Gebeurt natuurlijk niet. Het is geen oplossing. Haar idee: geef de mensen in de Wielenpôlle zeggenschap over de budgetten en laat hen de baas zijn van de hulpverleners. Ze heeft een bedrijf opgericht om dat soort ideeën te onderzoeken en ermee te experimenteren.

Vroeger waren ze verslaafd, ja

We stappen in haar auto en we rijden door de Wielenpôlle: vriendelijke huisjes, net gerenoveerd, hout en baksteen, niks kunststof. Een speelplaats vol kinderen. Om de paar meter staat Bea Moed stil en hangt ze uit het autoraam. „Dinie, hoe is het met Piet?” Piet is erg ziek.

Foto: Olivier Middendorp
Foto: Olivier Middendorp
Foto’s Olivier Middendorp

Afgelopen winter was de Wielenpôlle op de televisie, BNNVARA had er een documentaire gemaakt. Bea Moed glimlacht nog om het buitengewoon positieve beeld dat de mensen van zichzelf en hun leven gaven. Ja, vroeger waren ze verslaafd geweest, maar nu ging alles goed. En ja, ze wilden graag een opleiding volgen, mbo 4, werk vinden. Maar de gemeente werkte tegen. „Problemen ontkennen en niets onder ogen zien”, zegt Bea Moed. „Hebben mijn ouders ook altijd gedaan.”

Dus vraag je aan Aaltje Moed of ze kan lezen en schrijven, na zo weinig jaren op school, dan zegt ze: „Ja, hoor.”

En Berend Moed: „Ja, hoor.”

Aaltje Moed: „Het is wel zo, Berend schrijft meestal. Maar dat is omdat hij dat altijd doet.”

En als je dan zegt dat ze het volgens haar dochter niet zo goed kan, zegt ze: „Dat heeft ze mis. Ik kan het misschien niet zo goed als zij. Maar ik kan het. Ik kan ook koprekenen. Mijn rapport ligt boven, zal ik het laten zien? Allemaal mooie cijfers.”

Berend Moed: „Bea heeft ook wel heel erg veel geleerd.”

Aaltje Moed: „Zij kan alles.”

En de ouderavonden vroeger? Gingen ze daar echt niet naartoe?

Aaltje Moed: „We zijn een keer geweest en toen zat Berend naast een man die zei: ik moet eraan wennen dat mijn dochter omgaat met één die op de mavo hoort te zitten.”

Berend Moed: „Hij bedoelde: één die wat minder is. We zijn er nooit meer heen gegaan.”

Bea Moed zegt dat de Wielenpôlle nog altijd in haar zit, met Kerst kan ze het niet laten om haar hele huis vol versiering te proppen. „Sommige mensen noemen dat volks.” Ze houdt ook van alles samen met het gezin doen en als ze buiten de deur eet denkt ze nog altijd: o jeetje. Ze is wel van klassieke muziek gaan houden, van literatuur, kunst. Laatst, zegt ze, vroeg haar moeder waarom hogere mensen niet naar het huwelijk van Harry en Meghan keken, begreep zij dat? Bea Moed had gezegd dat zij het ook niet wist. Begreep haar moeder waarom lagere mensen niet van Bach hielden?

Foto: Olivier Middendorp
Foto: Olivier Middendorp
Foto: Olivier Middendorp
Foto’s Olivier Middendorp

Correctie (15 juni 2018): In een eerdere versie van dit artikel werd de wijknaam Wielenpôlle geschreven als Wielepôlle. Dit is hierboven aangepast.

    • Jannetje Koelewijn