Recensie

Zeg je eigenlijk ‘soccer’ of ‘football’?

WK voetbal

Valt er serieus na te denken over voetbal? Een filosoof probeert het. Twee onderzoekers komen verder in de bestudering van de meest verhitte etymologische strijd van de Engelstalige wereld.

Foto Hendrik Sorensen/Getty Images

Natuurlijk, er gaan dagen voorbij waarop de voetballiefhebber zich niet bewust is van de koloniale oorsprong van zijn liefdesobject. Maar het nu begonnen WK voetbal 2018 is een mooie aanleiding om dat begin eens onder het stof vandaan te halen. Het ligt in dure Britse jongensinternaten. Hier kreeg de huidige vorm van het voetbal zo’n twee eeuwen geleden gestalte, om in 1862 te worden vastgelegd in de Sheffield Rules. Niet veel later drong de sport door tot in uithoeken van het Britse imperium, veroverde ook razendsnel de francofone wereld en kreeg, via de haven van Buenos Aires, vaste voet in Latijns-Amerika.

Inmiddels telt de internationale voetbalbond FIFA meer leden dan de Verenigde Naties. Maar de voetbalnaties der wereld zijn niet verenigd. In de Verenigde Staten, een kolonie die zich al in 1776 afscheidde van de Engelse overheerser, ontwikkelden andere sporten zich tot grote publiekstrekkers: baseball, basketbal en gridiron, een sport met een ovalen bal waarvoor Amerikanen het woord football gebruiken – al rennen spelers met de bal in hun handen over het veld.

Dat Amerikanen niet uitblinken in ‘ons’ voetbal is een bron van oneindige tevredenheid in de rest van de wereld. Het betekent dat de VS in tenminste één product van de geglobaliseerde amusementsindustrie niet oppermachtig zijn. Dat ze de sport niet football maar soccer noemen, is voor menige voetbalfan voldoende bewijs voor hun achterlijkheid.

Lees ook: Amerika begint een serieus voetballand te worden

Soccer! Wie op internet in het Engels over voetbal leest, weet hoe agressief Europeanen, en vooral Britten, zich kunnen uitlaten in de hoog oplopende etymologische strijd football versus soccer. Zie de honderden comments onder het zes minuten durende Youtube-filmpje waarin een jonge Amerikaan, Dave, uitlegt dat soccer, ten eerste, geen Amerikaans maar Engels woord is, dat het woord football, ten tweede, van oudsher is gebruikt voor een genre sporten, niet voor één sport, en dat soccer een variant, de wereldwijd bekendste, zich onderscheidt van, bijvoorbeeld, rugby football en gaelic football’. Ene Richard Such schrijft, in een karakteristieke reactie: ‘Ik wil heel graag een gesprek, opdat we elkaar beter leren kennen. Zeg waar we kunnen ontmoeten, so I could kick your teeth in.’ Alle reacties samengevat: soccer is voor suckers.

Voetintellectuelen

Onlangs verschenen twee voetbalboeken van de hand van gerenommeerde intellectuelen. Een is gewijd aan de taalcontroverse en geschreven door Silke-Maria Weineck (1963), docent Duitse literatuur aan de universiteit van Michigan, en Stefan Szymanski (1960), aangesteld aan dezelfde universiteit en in voetbalkringen bekend als co-auteur van Soccernomics (2014).

Het andere boek, What We Think About When We Think About Football, is van Simon Critchley (1960), een Britse filosoof (fenomenoloog) en Levinas-kenner, werkzaam aan de New School for Social Research in New York. Hij is een productieve auteur van zowel filosofisch-wetenschappelijke overzichtswerken als van de bestseller Notes on Suïcide (2015).

Op het eerste gezicht valt van een poging in filosofische zin iets te zeggen over voetbal meer te verwachten dan van de behandeling van een taalkwestie. Het uiterlijk van Critchleys boek vergroot deze verwachting: het is prachtig vormgegeven, met foto’s en gestileerde tekeningetjes van voetballegendes als Johan Cruijff en George Best. En dan de index. Daarin staan de denkers Habermas, Hegel en Heidegger in hetzelfde rijtje als de voetballers Hazard en Henry. Hier likt de denkende voetbalfan zijn vingers bij af.

Maar Critchley stelt al vanaf het eerste hoofdstuk teleur, met zinnen als: ‘Wat plaatsvindt in een georganiseerd team is een nooit aflatende dialectiek tussen de associatieve, collectieve activiteit van de groep en de ondersteunende, gezonde individuele acties van de spelers, wier ‘zijn’ slechts is gegeven door middel van het team.’ Allemaal waar, tot uw dienst, maar wat zegt het? Het brengt ons niets dichter bij de essentie of aantrekkingskracht van de sport – wat wel de opzet is van de auteur.

Liverpool-gekte

Wanneer Critchley ook nog zijn eigen Liverpool-gekte inzet, wordt duidelijk dat hij verwacht dat de liefde voor filosofie en voetbal zo groot is onder zijn lezers dat ze, genietend van zijn chique verwijzingen, hem zijn nietszeggendheid vergeven. Want het is toch leuk om met een filosofisch begrippenapparaat over voetbal te praten? Nee, zo blijkt, niet als je daarmee weinig verder komt dan het opbakken van lucht: ‘Voetbal geeft ons een bevoorrechte toegang tot bestendige inzichten in wat het betekent om mens te zijn in de wereld.’ Juist.

Deftige jongetjes en meisjes uit buitenwijken spelen soccer – en dan helpt het dat voetbal in Amerika vooral een sport is van de middenklasse en de rijken.

Na een te lang hoofdstuk over de internetruzie ontwikkelt het andere, onooglijk uitgegeven boek zich juist tot een leuk én doorwrocht wetenschappelijk werk, waarin de auteurs de lezer meevoeren over de grens tussen voetbal en politiek, tot in perifere voetballanden als India, Nieuw-Zeeland en Australië. Zo laten de auteurs met cijfers en grafieken zien hoe recent de aversie tegen het woord soccer is.

Duidelijk wordt, kort samengevat, dat in landen waar andere varianten van football populair zijn, de mondiale winnaar het woord nooit exclusief heeft kunnen claimen. Tegelijk zien de auteurs dat het woord football, als naam voor voetbal, zelfs in die landen oprukt, zeker in Nieuw-Zeeland en Australië. Waarschijnlijk vooral uit anti-amerikanisme, al zijn er die beweren dat ook klassenstrijd een rol speelt. Het woord soccer is namelijk ontstaan in Oxbridge-kringen als verbastering van het woord association football, in een tijd waarin de Britse elite allerlei woorden graag afkortte op -er. Zo noemden studenten de Radcliffe Camera, een bibliotheek in Oxford, de radder, was rugby rugger en het ontbijt niet breakfast maar brekker.

In zelfbewuste arbeiderskringen kreeg het gebruik van het woord soccer een aura van klassenverraad. Anti-soccer-columnisten weten dit en herhalen het argument: echte kerels spelen football. Deftige jongetjes en meisjes uit buitenwijken spelen soccer – en dan helpt het dat voetbal in Amerika vooral een sport is van de middenklasse en de rijken.

Onderzoek waarvan de relevantie niet zonneklaar is, kan in boekvorm niet zonder fascinerende argumenten, onbekende wetenswaardigheden en precisie. Beide boeken laten dat zien. It’s Football, Not Soccer (And Vice Versa) zet laag in, met een taalkwestie, maar biedt inzichten in aard en politiek-maatschappelijke betekenis van voetbal. Critchley zet hoog in: hij beloofde te onderzoeken ‘how football’s magic wards off oblivion’ en trapte vooral open deuren in.

    • Pieter van Os