Schuren

Het was even oefenen. Allereerst moesten de kratten bij voorkeur zo hoog opgestapeld staan dat ze tot boven je middel reikten, maar dat was meestal geen probleem in de kassen, schuren en tuinen van West-Friesland, waar het licht zwak was en de voorraad oneindig. Daarna nam je een nieuw flesje, pakte het stevig vast, onderaan de hals, en drukte hem tegen de rand van het krat, met de kroon er net overheen.

Veel later zou je relatie met alcohol veranderen. Je zou ze inmiddels tellen: eigenlijk niet meer dan vijf eenheden per week, als het even kan. Elk glas werd een zonde. Je zou bij iedere slok weten wat er met je lichaam gebeurt. Je zou woorden als ‘eenheden’ gebruiken. Zaterdagkranten zouden er hele bijlagen aan besteden.

Je zette nog wat meer druk op flesje en krat. Belangrijk, anders mislukte het. Natuurlijk, er waren wel openers, aan de sleutelhangers van je vrienden of in de keuken van de ouders, bij wie je dan ook was. Maar dit was leuker. Hier had je niets voor nodig behalve het flesje en de krat. Het kon ook zonder krat: haak twee kronen als yin en yang in elkaar en trek het ondersteboven hangende flesje met een plotselinge polsbeweging bij het andere weg. Maar het stemde je soms somber te bedenken dat er dan altijd één biertje over zou blijven dat niet open kon.

Veel later zou je je katers gaan plannen. Morgen vrij, dus het kan. Maar toen ging het zo nog niet. Misschien omdat het altijd kon.

Het voelde zo goed om ja te zeggen. Je merkte hoe je je anders ging gedragen. Gedachten werden vloeibaar, aanraken werd makkelijker. Overal lyriek. Mogelijkheden. Het beste gedeelte van de avond was tussen je tweede en derde, als je samen de vrijheid vierde om dat te kunnen doen: ja zeggen en dan nog eens twee keer ja zeggen.

Veel later zou je zien wie we worden als we dronken zijn. Hoe we er dan uitzien. Het is nacht, ergens tussen vrijdag en zaterdag, je moet nog naar huis, en thuis is nu verder dan zeven minuten fietsen langs weiland en voetbalclub. In de trein spreken vreemden elkaar aan. Harde stemmen, onhandige pogingen tot toenadering, een acute behoefte aan contact, niets blijvends, alleen iets voor nú. Iets wat evenredig met het promillage in het bloed weer zal afnemen, maar nu bestaat, overal gevoeld wordt. Je ziet het in alle ogen: we hadden ja gezegd, en daarna nog twee keer ja, en daarna nog heel vaak ja, en nu weten we niet meer zo goed wat we met onszelf en elkaar aan moeten.

Flesje stevig omklemd, kroon tegen het krat gedrukt? Goed. Dan: de klap. Van bovenaf. Een vlakke hand, vol erop.

Ja, daar ging-ie. Terwijl het flesje naar beneden schoot, sprong de kroon erbij weg als uit een net afgevuurde revolver.

Waar dat kromgetrokken kroontje terechtkwam, daar hoefde je nooit meer over na te denken. Vanaf nu kon je drinken.

    • Peter Zantingh