Recensie

Dautzenberg gaat een grens over

A.H.J. Dautzenberg

Hij is meester in de grensoverschrijding, maar wars van autobiografie. Toch schreef hij een hoogstpersoonlijk Privé-domeindeel, dat via een omweg ook over zijn geëngageerde schrijverschap gaat.

Illustratie: Gijs Kast

Kortom, schrijft Anton Dautzenberg: ‘De vent is te zichtbaar.’ Hij heeft zich druk gemaakt over een recensie die begon met het ‘befaamde lijstje’ begrippen waar u de schrijver wel van kent. De gedoneerde nier, nepinterviews, pedofielenvereniging Martijn, Diederik Stapel, de armoedeglossy Quiet 500. ‘En dat lijstje dient vervolgens als sleutel voor de interpretatie van mijn boek.’

De vent in kwestie, schrijver A.H.J. Dautzenberg, heeft wel een beetje gelijk. De vorm-of-ventdiscussie van weleer is inmiddels beslist in het voordeel van de ventisten. Niet het literaire werk op zich moet bekeken worden (vorm), maar de schrijver en diens leven (vent) zijn de sleutel. Of je er als schrijver nou om vraagt of niet, of je nou Saskia Noort, Connie Palmen, Murat Isik of Philip Roth bent: de identiteit van de schrijver wordt tegenwoordig onherroepelijk meegewogen in oordelen over literatuur. Door critici en andere journalisten, en door gewone huis-tuin-en-keukenlezers die niet alleen een boek, maar ook een beeld van de schrijver hebben. En die willen weten of iets waargebeurd is, of dan toch minstens deels autobiografisch. Autobiografie is een pre, echt voelt nou eenmaal echter.

Dus klaagt Dautzenberg, wiens romans aangekeken worden op zijn activistische daden (ten koste van allerlei onopgemerkte verwijzingen naar Dante en Arthur van Schendel): ‘Mijn buitenliteraire acties zitten een open interpretatie in de weg.’ Hij schrijft dat op 17 december 2016 in zijn dagboek, dat nu als deel in de reeks Privé-domein is uitgegeven.

Warempel. Nou doet hij het zélf! Hij richt de blik in het egodocument Ik bestaat uit twee letters volledig op zijn (buiten)literaire zelf – en dan klagen?! Het staat er nota bene op de vierde dagboekdag, als de gewenning aan de Ichbezogenheit van zijn onderneming nog niet is ingedaald – en dus voelt hij volstrekt oprecht. Eigenlijk went Dautzenberg, wars van al te veel zelfreflectie, nooit helemaal aan die blik op zichzelf. Zijn leven wordt een constructie, schrijft hij op 9 januari 2017: ‘Sinds ik een dagboek bijhoud, voelen de mensen om mij heen als motieven, alsof ze functioneel aanwezig zijn.’ Dat gegeven geeft het project onophoudelijk een zekere spanning: de vorm dringt zich op, maar de vent moet wel zichtbaar worden, anders mislukt het. Tegelijk wil de schrijver eigenlijk niets met de vent te maken hebben.

‘Mijn belangrijkste voornemen voor 2017: de kloof met mijn broer proberen te dichten.’

Maar Ik bestaat uit twee letters is absoluut gelukt. Een jaar is wel lang, dat is het enige echte bezwaar: in de 719 bladzijden zit wel een aantal dooie momentjes. Maar Dautzenbergs soulsearching levert een eerlijk, diepgravend portret op van hemzelf, van zijn (geëngageerde) schrijverschap, maar ook het Zuid-Limburg van zijn jeugd en zijn familie.

Gelukkige jeugd

Anton Dautzenberg werd op 13 december 1967 geboren in Heerlen, als plotseling nakomende helft van een onaangekondigde tweeling: de naam Anton is, zo wil de overlevering, in allerijl bedacht. De relatie met zijn tweelingbroer Hub staat centraal; Dautzenberg heeft zijn best gedaan om voor zijn boek een vast verhaalthema te kiezen: zijn familie.

Op 1 januari 2017 noteert hij: ‘Mijn belangrijkste voornemen voor 2017: de kloof met mijn broer proberen te dichten.’ De verwijdering ontstond toen ze in dezelfde kleertjes door het leven gingen en daardoor meer op elkaar leken dan op zichzelf. De karakters van de grote en fysieke Hub en de verbale, denkende Anton liepen uiteen, de één ging studeren in Tilburg, de ander nam geen afscheid van zijn geboortegrond.

Lees ook het interview van NRC in 2015 met A.H.J. Dautzenberg: Ik sticht verwarring, ja

Om weer nader tot elkaar te komen, zo neemt Anton zich voor, gaat hij in het voorjaar van 2017 een maand logeren in zijn ouderlijk huis aan de Salkstraat in Schaesberg, gemeente Landgraaf, waar Hub met twee zoons en zijn zoveelste vrouw is ingetrokken. Terwijl Anton de familiebanden aanhaalt, ook die tussen de puberjongens en explosieve Hub, kan hij op zoek naar sporen van zijn gelukkige jeugd, naar positieve jeugdherinneringen. Daar zit geen ironie bij: in tegenstelling tot zoveel schrijvers wil hij geen trauma’s blootleggen, maar de gelukkige jeugd ‘cultiveren’. ‘Ik vermoed dat dit meer levensvreugde oplevert en minder zelfmedelijden. Die levensvreugde wil ik graag delen met mijn broer, en daarmee ons leven verluchtigen.’

Illustratie Gijs Kast

Daar komt op 20 april 2017 iets intrigerends bij, als Dautzenberg schrijft: ‘Nog een voornemen: ik ga een „nieuwe” Hub creëren, ik ga proberen om vooral positieve gevoelens op zijn gedrag te projecteren.’ Hij zal zijn verbale vermogens inzetten om de stemming de goede kant op te buigen: hij heeft ‘de taal tot mijn beschikking, ik kan de werkelijkheid plooien.’

Vanaf dat moment wordt het echt spannend. In feite zegt Dautzenberg daar óók: om bestwil zal ik liegen. Dat doet iets met de leeservaring. Waarvan we in de eerste vier maanden, ruim 250 bladzijden, vooral onder de indruk raakten, was Dautzenbergs gebrek aan terughoudendheid, zijn onwil om te filteren of vervormen. Hij wisselt verslagen van dagelijkse beslommeringen af met correspondenties, waarin ook beschimpt en geroddeld wordt, met naam en toenaam. Wat we te lezen krijgen is afwisselend genoeg, daar niet van: Dautzenberg doet koele constateringen over de speculatieve terreurverslaggeving en populisme op televisie en beschrijft even verderop een lief muisje dat door de kamer rent. Maar in zijn ongebreideldheid doet die informatie eerder denken aan écriture automatique dan aan het ‘plooien’ van de werkelijkheid.

Meester in grensoverschrijdingen

Maar dan gaan de literaire alarmbellen af. Met reden. Gelijktijdig met dit Privé-domeindeel verscheen de omnibus Vijftig Verhalen, waarin Dautzenbergs drie verhalenbundels zijn opgenomen, aangevuld met los werk, waaronder ook een van de beste, slimste en grappigste dingen die hij ooit schreef: een gefingeerd interview met metalheld Lemmy, over de eurocrisis. Dat is meesterlijke satire die twee kanten op werkt. De ene kant: lezend ben je geneigd zo’n type niet serieus te nemen op politiek-economisch gebied, terwijl Dautzenberg hem helemaal geen onslimme dingen laat zeggen (naar 2011-begrippen soms zelfs profetisch). De andere kant: dit interview met de voorman van Motörhead is een van de weinige manieren om veel mensen kennis te laten maken met deze materie. En dan is het nog goed, overtuigend geschreven ook.

Lees ook: Te controversiële Dautzenberg ontslagen bij Fontys Hogeschool

Anders gezegd: A.H.J. Dautzenberg is onze literaire meester in de grensoverschrijding. Of zoals hij het zelf psychologiserend noemt: transgressie. Hij overschrijdt graag de grenzen van genres, verwachtingen, dwingende vormen en normen, het betamelijke. (Geen gebrek aan piemels en poep in dit boek – en Dautzenberg voorspelt de kritiek al. Maar: een grensoverschrijder die je je niet laat afvragen of het nou nódig was, is geen echte grensoverschrijder. Hulde dus: al het onbetamelijke is functioneel!)

De literaire vervormer Dautzenberg lijkt dus op te staan als hij aankondigt de grens van de werkelijkheid op te zoeken, door de jeugdherinneringen aan zijn broer te ‘plooien’. In korte, geschetste scènes, isoleert Dautzenberg momenten van jeugdgeluk: op school, spelend in de wijk, op het oude mijnterrein. Soms mislukt het, als de herinneringen tragikomisch eindigen: dan komt er een buurman om de gestoepkrijte hinkelbaan schoon te schrobben, of was Hub toch niet zo aardig. Hij gaat de herinneringen zelfs bewust vervormen: de tweelingbroers van rol laten wisselen in de anekdotes. Het lijkt de broers nauwelijks dichter bij elkaar te brengen, maar Dautzenberg leert er wel het nodige van.

Wat minder boos

Ik bestaat uit twee letters gaat over veel meer – en de experimenten met vervorming vinden op vele plekken plaats. Zijn zomervakantie beschrijft hij bladzijdenlang in gebeurtenissen en taferelen, die je toch dichtbij brengen: ‘Het huren van twee strandbedden en een parasol op het hoge rotsstrandje. De wilde zee, de net snorkelbare baai.’ Het hele jaar ‘recenseert’ hij wekelijks de Donald Duck, snerend in louter sterretjes – ook een vormkeuze die de grap ontstijgt. Hij vervormt ook eigen Donald Duck-strips met volstrekt serieuze inhoud.

In de vergaarbak die een Privé-domeinboek toch altijd is, zijn er toch rode draden te ontwaren, een eenheid zelfs. Waar het tweelingbroerverhaal Dautzenberg een spiegel voorhoudt over zichzelf én in een moeite door over zijn schrijverschap, is de Donald Duck van niet te onderschatten (metaforisch) belang in het boek. Het vrolijke weekblad krijgt onverdeelde sympathie, want het ‘activeert en bemoedigt het kind in de lezer, ongeacht de leeftijd. Het leven wordt weer zoet. Speelsheid, anarchie, levenslust.’ De levenslustige in Dautzenberg krijgt steeds meer ruimte, ten koste van de geëngageerde schrijver en activist – die zich terugtrekt omdat A.H.J. Dautzenberg ook in 2017 nog hinder ondervindt van zijn solidariteit met pedofielenvereniging Martijn, en Diederik Stapel, de nier, noem maar op.

Als Dautzenberg in september een activistische speech houdt, met matig succes, raadt hij zijn compagnon unverfroren aan om wat minder boos te zijn. Tijdens zijn vakantie las hij een biografie van Wittgenstein, ‘een wereldverbeteraar pur sang’, van wie hij leerde dat je mensen niet moet ‘terroriseren met zijn idealisme (want dat deed hij), maar bij zichzelf moest blijven, híj moest ‘een goed mens’ zijn, alleen daarmee kon hij daadwerkelijk impact hebben op zijn omgeving’.

Dat leerde hij daar aan de Salkstraat, waar verbetenheid niet werkte om te bemiddelen in een ruzie tussen Hub en zijn zoon Joris, maar een welgemikte grensoverschrijding wél. En die stap nam Anton Dautzenberg door dagboeken te schrijven, zelfreflectie te bedrijven, door zijn eigen grenzen te overschrijden. Wat die verandering in de vent voor de vorm betekent, voor Dautzenbergs toekomstige literatuur? Ik voorspel: nieuwe frontiers, nieuwe overschrijdingen.

    • Thomas de Veen