Drínk je niet?

‘En wat mag ik voor jou inschenken?” „Doe maar water. Met prik.” „Water? Niet een lekker wit wijntje?” „Nee, liever water. Mag ook uit de kraan.” „Hè, doe niet zo ongezellig. Ik schenk een glaasje wit voor je in. Dan zien we daarna wel verder.” „Nee, echt niet.”

„Dat méén je niet. Hoezo?”

En dan komt het moment van de waarheid. Wie zonder nadere verklaring niet drinkt, met het woord ‘drinken’ in de betekenis van alcoholhoudende drank drinken, is een spelbreker en die moet met een goed excuus komen. Maar ik doe niks verkeerd, ik gebruik alleen geen alcohol.

Uit narrigheid zeg ik soms dat ik niet drink omdat ik minder rimpels wil, en slank zijn. Dat ik de controle niet wil verliezen en alleen van katers houd als ik ze kan aaien. Dat ik van nature opgewekt ben, „daar heb ik geen drank voor nodig”. Vat de andere partij dat verkeerd op (meestal vat de andere partij dat verkeerd op), dan voeg ik laf de waarheid toe: …en ik verdraag die alcohol niet. Ik ben er allergisch voor. Drank maakt me ziek.”

Daarop krijg ik negen van de tien keren het raarst denkbare antwoord. Namelijk: „Oh ja? Ik wilde dat ik dat had.”

Huh? Jij wilde dat je omver gaat van een scheutje sherry door de soep? Jij wilde dat je altijd op moet letten als je in een restaurant iets te eten bestelt? (Het is er helemaal uitgekookt, mevrouw. Nee ober, als dat zo was hoefde de kok het er niet in te doen). En jij wilde standaard horen dat je niet gezellig bent? Ik ben wél gezellig! Ik ben zelfs zo gezellig dat ik wel eens net doe of ik een beetje dronken ben, om de feestvreugde niet te bederven.

Die feestvreugde breidt zich trouwens uit. Drank hoort er altijd bij. Ooit was champagne iets bijzonders. Iets voor spionnen en prins Bernhard. Nu wordt het algemeen geschonken als er iets gevierd moet worden. Ook halverwege de dag, als een stuk taart net zo goed zou zijn en niet zo’n aanslag op de energie van mensen die de rest van de dag nog door moeten.

Wie dat glas champagne afslaat, wie niet meepraat over goede wijn, wie zijn mond houdt bij herinneringen aan hoe leuk het was „toen we allemaal zo dronken waren”, confronteert wie wél drinkt er onbedoeld mee dat alcoholgebruik de norm is en hoe raar dat eigenlijk is. Dat er ook levenskunst bestaat zonder wijn en wodka. Dat een drankgelag geen excuus is voor wangedrag maar dat het dan gewoon zot is.

En nu niet geïrriteerd raken en geen woorden in mijn mond leggen. Ik ben geen kwezel. Ik verbied niemand om alcohol te drinken. Beschonken mensen vind ik niet altijd even leuk, maar wie zich in dronkenschap goed voelt, hoeft het voor mij niet te laten. Ik bedoel wél dat het drinken van bier, wijn, sterke drank niet verplicht kan zijn. En dat is het dus wel, min of meer.

Nee, ik ben niet jaloers. Ik wil gewoon niet drinken. En ik wil dat niet hoeven uitleggen. Alsjeblieft?

    • Joyce Roodnat