Nederlandse krijgsmacht kan missies niet aan

Militaire missies

Volgens de Rekenkamer is het twijfelachtig dat de Nederlandse krijgsmacht op de huidige schaal buitenlandse missies kan blijven uitvoeren.

Foto Jan Dijkstra

De Nederlandse militaire missies in het buitenland leggen zoveel druk op de krijgsmacht, dat de inzetbaarheid van het leger in gevaar komt. Dat blijkt uit een rapport van de Algemene Rekenkamer dat deze woensdag verschijnt.

Het rapport is een belangrijke reden dat het kabinet komende vrijdag zal besluiten de Nederlandse bijdrage aan de missie in Mali niet te verlengen. Die beslissing lekte dinsdag uit, niet toevallig een dag voordat het rapport Inzet Nederlandse krijgsmacht voor VN-missie in Mali verscheen.

Voor de krijgsmacht als geheel concludeert het rapport dat buitenlandse missies veel beslag leggen op de organisatie. Doordat verschillende eenheden mensen en materieel moeten leveren, zijn die eenheden buiten de missie niet meer compleet en niet meer in staat om goed te functioneren. De Rekenkamer schrijft: „Dit wekt de indruk dat de krijgsmacht op deze schaal onder deze condities op een haalbare en houdbare wijze buitenlandse missies kan uitvoeren, terwijl dat twijfelachtig is.”

‘Basisgereedheid’

In de begroting van het ministerie van Defensie voor 2018 staat dat de zogeheten ‘basisgereedheid’ van de krijgsmacht in 2021 op orde moet zijn. Aan die belofte kan het kabinet niet voldoen als het volhoudt aan het het grote aantal missies waaraan Nederland nu deelneemt. „Met de huidige missiedruk en de gevolgen die dit heeft voor de gereedstelling van eenheden, zien we risico’s voor het halen van die doelstelling”, schrijft de Rekenkamer.

In 2017 voerde Nederland achttien missies uit in zeventien verschillende landen, met in totaal 1.180 uitgezonden militairen.

De Rekenkamer deed onderzoek naar de mate waarin Defensie in staat was de Mali-missie goed voor te bereiden en de militaire eenheden tijdens de missie ‘inzetgereed’ te houden. Ook werd bekeken wat de gevolgen daarvan zijn voor de rest van de krijgsmacht. Om dat te onderzoeken keek de Rekenkamer naar één specifiek onderdeel van de missie, de Long Range Reconnaissance Patrol Task Group (LRRPTG), een lichte infanterie- en verkenningseenheid, in de periode tussen december 2016 en april 2017.

Lees ook: Kabinet stopt met missie in Mali

Uit het onderzoek blijkt dat de uitgezonden eenheden niet voldoende samen konden trainen vóór vertrek naar Mali, vanwege de late politieke besluitvorming over voortzetting van de missie in 2017. Verder was het materieel vaak niet op orde en werden er defecte reserveonderdelen geleverd.

Ook vertoonde het oefenmaterieel gebreken. Er was een ernstig tekort aan spullen die niet tot de standaarduitrusting van militairen behoren, maar die wel noodzakelijk zijn in Mali, zoals open terreinvoertuigen, nachtzichtmiddelen en speciale satellietradio’s.

Militairen ter plaatse moesten vaak improviseren om de gevolgen van de „ad hoc voorbereiding” goed te maken. „De ‘can do’-mentaliteit van de krijsgmacht wordt op deze wijze van een sterk wapen tot een kwetsbaarheid,” aldus de Rekenkamer.

‘Adequaat functioneren’ klopt niet

Opmerkelijk is dat Defensie de missie naar buiten toe presenteerden als „adequaat functionerend”, ook in de voortgangsrapportages die aan de Tweede Kamer werden gestuurd. Dat beeld klopt niet, constateren de onderzoekers, die ook zelf in Mali gingen kijken. Zo daalde het aantal inzetbare voertuigen naarmate de missie vorderde, vaak door de klimatologische omstandigheden en een gebrek aan goed en tijdig onderhoud.

De situatie is halverwege 2017 zo ernstig, schrijft de Rekenkamer, dat een commandant uit het missiegebied in een rapportage opmerkt dat voor 80 procent van het voertuigenpark „volgens Nederlandse maatstaven” een rijverbod zou gelden. En, zo staat in het rapport, in de tweede helft van 2017 „had volgens een van de commandanten 78 procent van het personeel geen vertrouwen meer in het materieel.”

Lees ook: ‘De grens van wat de krijgsmacht kan is allang bereikt

Aan de VN-operatie in Mali, die in 2013 begon, draagt Nederland vooral bij door het verzamelen van inlichtingen en het uitvoeren van verkenningen – Nederlandse militairen zijn de ‘oren en ogen’ van de missie. Nederland verlengde de missie, waarvoor het uitgangspunt was dat het tot 2015 zou bijdragen, drie maal met een jaar. Internationale missies zoals deze gelden als belangrijk voor het internationale aanzien van Nederland.

De operatie verliep voor de Nederlandse krijgsmacht tamelijk rampzalig. Er kwamen vier militairen om: in 2015 bij een helikoptercrash, in 2016 tijdens een schietoefening met mortiergranaten. De Onderzoeksraad voor Veiligheid concludeerde in een onderzoek naar dat laatste ongeluk dat Defensie tekort was geschoten in de zorg voor de veiligheid van de uitgezonden militairen. Toenmalig minister van Defensie Jeanine Hennis (VVD) trad voortijdig af.

Zetel in VN-Veiligheidsraad

In maart zei Defensieminister Ank Bijleveld tijdens een bezoek aan Washington nog dat het „niet logisch” zou zijn de Nederlandse bijdrage aan de Mali-missie af te bouwen, met het oog op de tijdelijke zetel van Nederland in de VN-Veiligheidsraad dit jaar. Maar op dinsdag werd duidelijk dat het kabinet de missie in Mali, die in principe duurt tot 31 december, niet zal verlengen. Op dit moment zitten daar nog zo’n 250 militairen. Hoe de missie precies wordt afgebouwd, is nog niet bekend.

Tegelijk met het beëindigen van de Mali-missie zal het kabinet vrijdag ook besluiten om de bestaande missie in Afghanistan uit te breiden met enkele tientallen extra militairen, zeggen ingewijden.

Na jaren van bezuinigingen kreeg Defensie er dit jaar voor het eerst weer geld bij: anderhalf miljard euro die nodig is om aan achterstallig onderhoud te doen. Maar de vraag die zich opdringt is of het voldoende is: als de druk van de huidige missies te groot is, wat kan de Nederlandse krijgsmacht nog wel aan?

    • Floor Boon