Opinie

    • Paul Scheffer

Klaagzang van een supporter

Ergens in de jaren negentig kende ik opeens niet meer alle namen van het elftal van Ajax. Het ging snel na de gewonnen Champions League-finale, die ik in een kolkend Wenen had meegemaakt. Voortdurend doken nieuwe namen op: de een na de ander kwam en verdween weer. Na elk goed seizoen liep het elftal leeg. Ook de omloopsnelheid van trainers nam enorm toe.

De loopbaan van Ronald Koeman is een voorbeeld van deze vluchtigheid: ik telde van Vitesse tot Everton negen clubs in achttien jaar. Wat ik me vooral herinner, is dat hij PSV al vroeg in het seizoen van 2007 vaarwel zei vanwege een beter aanbod uit Valencia. De trainer sprak van een trein die niet vaak langskomt. Ik begreep die zin beter toen hij al na een half jaar werd ontslagen en een afkoopsom van 6 miljoen incasseerde.

Of neem de jonge Kluivert, die na een wisselvallig seizoen vertrekt naar Rome. Tot grote ergernis van Ronald de Boer, die pas op latere leeftijd naar het buitenland ging: „Justin loopt er weleens bij alsof hij alles al heeft bewezen. Als hij een mooie transfer kan maken, is hij zo weg. Hij is verdomme net negentien jaar! Sorry, ik kan daar echt kwaad om worden.” Nou, ik ook.

De voetbalwereld toont het lelijke gezicht van de globalisering. De tribunes zitten vol met supporters die jaar in jaar uit hun club steunen. In weer en wind blijven ze trouw. Ze zijn verbonden met een plek. Ondertussen kijken ze naar spelers en trainers die komen en gaan. Die voelen – uitzonderingen daargelaten – geen binding aan de club. Als het even kan, zijn ze op weg naar zonniger oorden. Maar als niemand blijft, kunnen er geen verhalen meer worden verteld.

Daarom is het wereldkampioenschap dat morgen begint een verademing. Een nationaal elftal kun je niet bij elkaar kopen. Je moet het doen met talent van eigen bodem – al helpt een koloniaal verleden. Uit die beladen geschiedenis zijn heel wat geweldige spelers voortgekomen.

Bij wedstrijden van Oranje kunnen we juichen voor voetballers die er na tien jaar nog steeds zijn. Sommigen halen wel honderd interlands. We kennen hun linkerbeen, hun vriendin, hun tatoeages, we kennen de verhalen van Betondorp tot Bedum. Ze zijn ons vertrouwd, althans, dat willen we graag geloven.

Ooit zag ik Nederland-Mexico in Saint-Étienne. Het wereldkampioenschap van 1998. We stonden met 2-0 voor toen de aloude hoogmoed in het team sloop. Een gulzige Luis Hernández maakte twee doelpunten: van achter het doel kon ik zijn lachende gebit zien. De Mexicaanse families die om ons heen stonden – inclusief een zwerm ontroerend grut – waren heel gelukkig. Zowel Nederland als Mexico ging verder na het gelijkspel: het is een lange avond geworden.

Zo laat het voetbal het mooie gezicht van de globalisering zien: een wereld waar het tribalisme gevierd kan worden op een tribune is een betere wereld. Komende weken mogen alle clichés over gedisciplineerde Duitsers en meedogenloze Argentijnen worden uitgevent. Eventjes geen politieke correctheid: Derksen en Gijp regeren. De wereldbal is rond. We zijn getuige van het enige evenement waar alle continenten naar kijken.

Nu Nederland niet meedoet, moeten we onze loyaliteit wat oprekken. Deze keer ga ik op mijn gemak België en Marokko steunen. Dat kost geen moeite: ik verkeer veel in kringen die een kruisbestuiving zijn van beide landen. Eerst België en dan Marokko, in die volgorde. Al was het maar vanwege Jan Vertonghen, die bij Ajax uitblonk in het centrum van de verdediging. Hij bleef vele jaren: na Jong Ajax speelde hij van 2007 tot 2012 in het eerste elftal.

Een zeker opportunisme is me niet vreemd. Wanneer Marokko in de poule wint van Spanje of Portugal dan draait de voorkeur om. Al was het maar vanwege de begaafde Hakim Ziyech, die ook al lijkt te bezwijken voor de verlokkingen van Rome. Hij heeft het twee jaar bij Ajax volgehouden. Dat waren trouwens wel goede jaren.

Na deze moeilijke zomer maak ik me op voor een nieuw seizoen Ajax, met weer een elftal vol onbekende namen. Jaren geleden hoorde ik Johan Cruijff een tentoonstelling openen. Hij sprak fijne woorden: „Ajax heeft niets met brutaal, agressief of financieel te maken, alleen met kwaliteit.” Sterker nog: de club is „een culturele manier van doen”. Ik weet dat Cruijff de zaken mooier voorstelde dan ze waren – ook vroeger al. Maar ik moest wel huilen toen ik hoorde dat hij dood was.

is hoogleraar Europese Studies.
    • Paul Scheffer