opinie

    • Peter de Bruijn

‘Hoffmann’: ook de film is prachtig

Peter de Bruijn De nieuwe productie van ‘Les contes d’Hoffmann’ bij De Nationale Opera doet Peter de Bruijn terugdenken aan een beroemde verfilming: Powell en Pressburgers Technicolor-feest uit 1951.

De nieuwe enscenering van Jacques Offenbachs Les contes d’Hoffmann door regisseur Tobias Kratzer bij De Nationale Opera viel niet bij alle recensenten in even goede aarde. Kratzer liet een gigantisch poppenhuis bouwen, waarin zich simultaan scènes afspelen. Daarmee heeft hij vooral de schaduwzijden willen tonen van de vertelling van Offenbach, waarin de benevelde dichter Hoffmann verhaalt van drie desastreuze episoden in zijn liefdesleven. Eerst valt hij voor een mechanische pop, dan voor een prostituee die zijn spiegelbeeld wil stelen, en uiteindelijk voor een operazangers die – heel operatesk – ten onder gaat aan tbc.

Dat zijn vrouwenrollen die eigenlijk niet helemaal meer door de beugel kunnen in het tijdperk van #MeToo. Kratzer slaat dus flink aan het deconstrueren om toch vooral ook de schaduwzijden van Offenbachs mannenfantasie bloot te leggen. Daarvoor gebruikt hij naar horror neigende taferelen van opgesloten, gezichtsloze, tot slaaf gemaakte vrouwen, een muze die niet meer uitsluitend wil dienen, en een dansende en zingende pop transformeert bij hem tot een seksrobot.

Zo gaat er natuurlijk wel wat verloren van de levenslust en ironie die Les contes d’Hoffmann eveneens kenmerken. Gelukkig hebben we de film nog. Operafilms die echt voor de bioscoop zijn gemaakt – en dus geen registraties van theatervoorstellingen – zijn schaars. Geslaagde operafilms zijn nog schaarser. Op het korte lijstje van fameuze operafilms prijkt steevast The Tales of Hoffmann van het duo Michael Powell en Emeric Pressburger.

De film – niet zo lang geleden gerestaureerd, met een nieuwe, teruggevonden scène – was in 1951 de opvolger van hun beroemde balletfilm The Red Shoes. De film heeft ook grotendeels dezelfde hoofdrolspelers. Moira Shearer heeft hier opnieuw een glansrol. Ze was zelf meer te spreken over haar danswerk in The Tales of Hoffmann dan in The Red Shoes. Powell en Pressburger lieten het stuk van te voren opnemen onder leiding van dirigent Thomas Beecham, maar lieten de opera daarna spelen door playbackende dansers en acteurs. Een briljante vondst, want zo ontstond een unieke hybride van film, opera en ballet. Het duo buit het Technicolor-proces volledig uit, met een enscenering die in het teken staat van kleur, kleur, kleur. De high camp van hun filmversie benadrukt juist de kunstmatigheid en het fantastische van Offenbachs verbeelding. In dat opzicht is de film de exacte tegenpool van het zompige realisme dat Kratzer in de opera legt.

Offenbach maakte het voor de toeschouwer lastig te beoordelen hoe serieus we zijn ‘opéra fantastique’ eigenlijk moeten nemen. Hij verwijst dan ook nadrukkelijk naar Mozarts Don Giovanni; een zogeheten ‘dramma giocoso’, dat zowel komische als tragische elementen bevat, die toeschouwers op een vergelijkbare manier kan verwarren. Je moet misschien concluderen dat Kratzer te veel bij tragiek uitkomt, en Powell en Pressburger te veel bij lichtheid en speelsheid. De beste ensceneringen belanden ergens in het midden. Maar Offenbachs meesterwerk is robuust genoeg om bijna elke benadering te kunnen doorstaan.

Peter de Bruijn is filmrecensent
    • Peter de Bruijn