Slapen op stations, eten stelen en nooit om hulp vragen

Zwerfjongeren Het aantal dakloze jongeren in Nederland is fors toegenomen. Nieuw onderzoek brengt deze groep in beeld. Angelo (23) zwierf op straat. „Dit zit echt diep.”

Gerrit Harmsen (rechts) was begeleider van de dakloze Angelo, die deze week een eigen appartement betrekt. Foto David van Dam

Angelo had alles goed voor elkaar. Hij woonde met zijn vriendin samen in Nieuwegein, werkte bij de McDonald’s en ging naar school – mbo boekhouding. Maar toen hij negentien jaar was, ging zijn vriendin ervandoor met een ander. Hij raakte zijn baantje kwijt. Daardoor kon hij niet langer zijn huur betalen. Dinsdag 25 augustus 2015, om tien uur ’s ochtends, kreeg Angelo bezoek: hij werd zijn woning uitgezet. „Je wereld stort in.”

Angelo (23, wil niet met zijn achternaam in de krant omdat hij zich schaamt voor wat hem overkomen is) doet zijn verhaal bij het inloopspreekuur van Back UP, een organisatie die dakloze jongeren helpt. Hij zit in een kaal kantoortje aan de Oudegracht in Utrecht. Tijdens het gesprek is hij geëmotioneerd: verscheidene keren schiet de twintiger vol. De tranen veegt hij weg met de mouw van zijn grijze capuchontrui. Angelo: „Dit zit echt diep.” Zijn begeleider Gerrit Harmsen: „Ja jongen.”

Zwerfjongeren heten ze in de volksmond. Bankhoppers in jargon: jongeren tussen de 18 en 27 jaar zonder eigen slaapplek. Ze kunnen aanvankelijk vaak terecht bij vrienden op de bank, maar belanden na verloop van tijd op straat. In 2016 telde Nederland ongeveer 12.400 van zulke jongeren, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) – het CBS hanteert de leeftijdscategorie 18-30 jaar. Een forse toename ten opzichte van een jaar eerder, toen waren het er 8.300. Afgelopen woensdag sprak staatssecretaris Paul Blokhuis (VWS, ChristenUnie) zich op een congres over zwerfjongeren fel uit: de overheid had volgens hem steken laten vallen en liet de jongeren zwemmen, meldde Binnenlands Bestuur.

Traumatische gebeurtenissen

Deze week wordt een onderzoek over zwerfjongeren naar de Tweede Kamer gestuurd. Onderzoeksbureau Labyrinth uit Utrecht voerde het uit in opdracht van de ministeries van Sociale Zaken, Onderwijs en Volksgezondheid. De onderzoekers namen een enquête af onder ruim 120 hulpverleners en spraken met tientallen zwerfjongeren. Doel was een beeld te krijgen van deze groep. En antwoord op de vraag: hoe krijg je deze jongeren weer op school of aan het werk?

Een groot deel van de zwerfjongeren in Nederland komt uit „een problematisch gezin” en is op jonge leeftijd geconfronteerd met heftige en „traumatische gebeurtenissen”, schrijven de onderzoekers. Tweederde komt uit een gezin met gescheiden ouders. Een kwart is zwakbegaafd of heeft een verstandelijke beperking. En de helft heeft in de jeugdzorg gezeten, volgens het onderzoek.

Juist die laatste groep loopt extra risico om op straat te belanden, zegt Marleen van der Kolk, programmamanager van Stichting Zwerfjongeren Nederland (SZN). Na hun achttiende moeten jongeren uit de jeugdzorg hun eigen boontjes doppen. Ze zijn zelf verantwoordelijk voor hun inkomen, onderdak en zorgverzekering. Vaak kunnen ze dat nog niet zelfstandig regelen. De „financiële zelfredzaamheid” van deze jongeren wordt veel te hoog ingeschat, zegt Van der Kolk.

Normaal gesproken helpen ouders hun kinderen tot ze 21 zijn, zegt zij, maar bij deze jongeren zijn de ouders uit beeld. „De overheid die jongeren uit huis plaatst, heeft de morele verplichting ze financieel te ondersteunen tot hun 21ste.” De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving adviseerde afgelopen dinsdag in een rapport dat de leeftijdsgrens in de jeugdhulp omhoog moet naar 21 jaar.

Blowen en drinken

Angelo sliep op stations, in portiekjes en parken. Zijn vrienden en moeder vroeg hij niet om hulp: hij schaamde zich en blowde en dronk stevig, net als het merendeel van de zwerfjongeren, volgens het onderzoek. Via via kwam hij terecht bij jongens die hem onderdak aanboden, maar dan moest hij wel voor het eten zorgen. Dat pikte Angelo in supermarkten, totdat hij in Amsterdam gepakt werd door de politie. Hij moest mee naar het politiebureau, maar na „zes uurtjes” lieten ze hem gaan.

Zijn moeder had inmiddels gehoord dat haar zoon dakloos was en vroeg hulp aan de gemeente Nieuwegein. Die maakte een afspraak voor Angelo bij Back UP in Utrecht. Angelo’s begeleider Gerrit Harmsen herinnert zich dat moment nog: „Je was heel verdrietig. Een beetje depressief.” Angelo knikt: „En verwilderd.”

Via Back UP kreeg Angelo een plekje in een crisisopvang voor dakloze jongeren: De Dijk. Van negen uur ’s ochtends tot vier uur ’s middags werd hij de straat op gestuurd. Zo word je gedwongen om dagbesteding te zoeken, zoals een baan of opleiding, zegt begeleider Gerrit Harmsen. Maar de meeste jongeren maken daar geen werk van, zegt Angelo: „Als je je huis kwijt bent, denk je niet aan werk of school. Je bent aan het overleven. Je kunt niet solliciteren in een vies overhemd.” Harmsen knikt: „Jongeren kunnen niet zo ver vooruit kijken.”

Ondertussen stapelden de schulden van Angelo zich op. Onbetaalde zorgverzekering, telefoonrekening, boetes voor zwartrijden, DUO en incassokosten voor het niet betalen van rekeningen. Angelo had ongeveer 10.000 euro schuld. Driekwart van de hulpverleners constateert dat zwerfjongeren zich door schulden niet kunnen concentreren op school en werk, aldus het onderzoek. Hun gemiddelde schuld bedraagt 4.000 euro, volgens het onderzoek. „Een forse onderschatting”, volgens Marleen van der Kolk.

Post in de prullenbak

David Ililov (23) had 13.000 euro openstaan toen hij tien maanden dakloos was – hij overnachtte in Amsterdamse parken. De post ging rechtstreeks de prullenbak in, zegt hij. De inhoud van de brieven drong toch niet tot hem door. Daar kwam een einde aan toen hij in de tijdelijke opvang terechtkwam en een mentor kreeg toegewezen. De mentor stelde vier eisen aan zijn hulp: Ililov moest zijn administratie en financiën op orde maken, dagbesteding zoeken en zich inschrijven bij Woningnet.

Na de crisisopvang stroomde Angelo door naar een tijdelijke opvang voor jongeren met een heftig verleden. Na zes maanden kreeg hij een eigen kamer toegewezen, maar daar moest hij na twee maanden uit, omdat de huisbaas werd opgepakt door de politie. Weer dakloos. Hij sliep twee maanden bij vrienden op de bank, maar hield nauw contact met begeleider Gerrit Harmsen.

Volgens Marleen van der Kolk moet de overheid zich meer richten op preventie en voorkomen dat jongeren dakloos worden. Veel dak- en thuisloze jongeren hebben een verleden in de jeugdzorg, zegt ze. Van hen weten we wanneer ze achttien worden en dus voor zichzelf moeten zorgen. „Geef ze genoeg inkomen, zodat ze hun eigen kamer kunnen betalen.”

David Ililov, ex-dakloze, vindt dat er een netwerk van begeleiders moet komen die jongeren aan de hand nemen zodra ze dakloos worden. „Er moet altijd iemand zijn op wie je kan terugvallen, een maatje.”

Angelo vond in Harmsen zijn maatje. Kerst vorig jaar stuurde hij zijn begeleider een appje om hem te bedanken: „Je bent de enige volwassene die me nooit heeft afgewezen ook niet als ik domme dingen deed.” Dat vond hij bijzonder om te horen, zegt Harmsen.

Deze week ontvangt Angelo de sleutel van zijn eigen appartement. Hij heeft weer contact met zijn moeder en werkt sinds tweeënhalf jaar bij een hamburgertent in het centrum van Utrecht. Hij kijkt naar zijn begeleider: „We houden sowieso contact.” Harmsen: „Ja, maar nu ga je het lekker allemaal zelf doen.”

    • Martin Kuiper