‘Islamitische scholen hebben een kracht die wordt onderschat’

Marietje Beemsterboer Islamitisch onderwijs kan de integratie van moslims bevorderen, concludeert Marietje Beemsterboer. Zij promoveert dinsdag op onderzoek naar islamitische basisscholen.

Les op de islamitische basisschool Al Ihsaan in Lelystad. Foto Olivier Middendorp

In klaslokalen hangen tekeningen, kinderen werken samen in groepjes. Op het plein wordt touwtje gesprongen. Lessen zijn in het Nederlands. En niet alle meisjes dragen een hoofddoek.

Op islamitische basisscholen, benadrukt promovendus Marietje Beemsterboer (32), gaan veel dingen hetzelfde als op andere scholen. „Je treft er herkenbare situaties. Kinderen die op het plein naar je toe komen: ‘Juf, ik heb een knikker gevonden!’” De heftige emoties over islamitisch onderwijs, zegt ze, komen wat dat betreft niet altijd overeen met de realiteit.

Beemsterboer promoveert dinsdag aan de Universiteit Leiden op de vraag hoe de religieuze identiteit van islamitische basisscholen zich verhoudt tot de maatschappelijke context waarin ze zich bevinden. Daarvoor interviewde ze 75 directieleden, onderwijzers en godsdienstleerkrachten van negentien scholen. De scholen zijn geselecteerd op ligging, grootte, oprichtingsjaar en er zijn verschillende besturen vertegenwoordigd. Haar conclusie is verrassend: islamitisch onderwijs kan de integratie van moslims bevorderen.

Moslims in Nederland worden steeds vromer, aldus het SCP. Maar wat vinden zij zelf? Lees ook: Islam geeft je een stevige identiteit

„Het merendeel van de islamitische basisscholen heeft wat mij betreft een kracht die enorm wordt onderschat”, vertelt Beemsterboer in het klaslokaal in Bergen (Noord-Holland) waar ze lesgeeft – aan een heel andere leerlingenpopulatie dan op de scholen die ze onderzocht. „Door de geborgen omgeving kunnen moeilijke onderwerpen worden besproken. Als een boodschap met veel tact en respect voor de islamitische achtergrond wordt gebracht, is de kans groter dat een leerling zich ervoor openstelt. Hij of zij komt dan niet in een loyaliteitsconflict met de thuissituatie.”

Als voorbeeld noemt ze homoseksualiteit, waaraan basisscholen sinds 2012 verplicht aandacht moeten schenken. „Op een openbare basisschool zal de juf vertellen dat je verliefd kunt zijn op zowel mannen als vrouwen. Kinderen uit een islamitisch gezin denken dan: ‘Mijn juf weet dat misschien niet, maar die boodschap geldt niet voor mij.’” Op een islamitische basisschool wordt het onderwerp behandeld door een godsdienstleerkracht. „Die wordt door leerlingen en ouders vertrouwd. Als díe vertelt dat homoseksualiteit in Nederland geaccepteerd is, en dat je niets te maken hebt met het privéleven van een ander, dan is de kans groter dat de boodschap aankomt.”

Hoofddoek verplicht

Tussen islamitische basisscholen bestaan grote verschillen, zag Beemsterboer. Er zijn scholen met een gesloten schoolconcept, waar een hoofddoek verplicht is en jongens en meisjes in gescheiden rijen in de klas zitten. En er zijn open scholen, die zich bijvoorbeeld ‘Nederlandse basisschool op islamitische grondslag’ noemen. Daar is een hoofddoek niet verplicht, of alleen voor moslims. Op de open scholen ligt het zwaartepunt vooral op het doel ‘voorbereiden op de toekomst in Nederland’, gesloten scholen geven meer gewicht aan hun islamitische identiteit. Dat zijn er overigens maar drie van 52, zegt Beemsterboer. Zo’n 15 tot 20 procent heeft een open schoolconcept en de rest zit daartussenin.

„De context van de Nederlandse samenleving wordt steeds belangrijker op islamitische basisscholen”, zegt Beemsterboer. „De wens om leerlingen goed voor te bereiden op de middelbare school, die meestal niet-islamitisch is, leeft heel sterk. Er wordt bijvoorbeeld vaker doelbewust naar niet-islamitisch personeel gezocht.” Zo’n 55 procent van het personeel op islamitische scholen is geen moslim.

Islamitische scholen verschillen op een aantal punten van andere basisscholen, vertelt Beemsterboer. De kledingcode is bedekt: shirts voor dames tot minstens over de elleboog en de heup. Er worden islamitische feesten gevierd, er wordt gebeden en er is godsdienstles. Bij tienminutengesprekken steekt de leraar niet automatisch een hand uit. Bovenbouwleerlingen wordt geleerd zich „bescheiden” te verhouden tot de andere sekse: stoeispelletjes zijn niet passend, krijgen ze te horen.

Melodie-instrumenten

Ook onderwijsinhoudelijk zijn er verschillen. De verplichte kerndoelen worden gehaald, maar met bijvoorbeeld muziek, gym, tekenen en seksuele vorming wordt anders omgegaan. Hoe strenger het schoolconcept, hoe groter die aanpassingen zijn. „Op open scholen worden bewust wel melodie-instrumenten gebruikt”, zegt Beemsterboer. „Dan wordt er met de leerlingen een gesprek gevoerd: waar komt de spanning binnen de islam vandaan en waarom kiest de school er toch voor die instrumenten te gebruiken? De motivatie daarvoor is vaak dat de meeste leerlingen op de middelbare school wél een snaar- en blaasinstrument uit elkaar kunnen houden.”

Aandacht voor de „enorme diversiteit” onder leerlingen is uniek voor islamitische scholen, denkt Beemsterboer. Zo vieren sommige moslims de geboorte van de profeet – anderen juist niet. Voor sommige moslims is het afbeelden van levende wezens verboden, andere tekenen graag portretten. En bij elke stroming hoort een andere positie van de handen tijdens het gebed.

Die verschillen komen de klas binnen, bijvoorbeeld wanneer een leerling zijn buurman tijdens het bidden toeroept dat „die zijn handen verkeerd houdt”. „Als leerkracht moet je daar wat mee, je kunt zo’n verschil niet negeren. Alle ouders hebben voor een islamitische school gekozen vanuit de verwachting dat de school aansluit op de thuissituatie.” Een leerkracht kan dan uitleggen waar de verschillen vandaan komen. „Dat zijn gesprekken die leerlingen veel leren over hun geloof en andersdenkenden. Die begeleiding zullen ze op een niet-islamitische basisschool niet snel krijgen, vanwege een gebrek aan kennis.”

    • Mirjam Remie