Column

Elk gebruikt de goden naar eigen inzicht

Eigenlijk is het verbazend dat we er nog steeds naar kijken en luisteren, naar dat rare bloederige verhaal dat de Griekse tragedieschrijver Aischylos vertelt over de familie van Orestes. Wat heeft dat te betekenen, al die wraak, al die moord – er komt geen eind aan. Laat het hier stoppen, verzuchtten de personages steeds.

En het stopt ook, na een potsierlijke rechtszaak die aan het eind van de driedelige Oresteia wordt opgevoerd. Na de voorstelling van Het Nationale Theater zie ik steeds het uitdrukkingsloze gezicht van de dode Klytaimnestra voor me, vermoord door haar zoon, die te horen krijgt dat een moeder, ach: „[...] zij is niet zijn echte ouder./ Zij is de verzorgster./ Zij is als de aarde in een pot/waarin het zaad ontkiemt en de plant uitloopt,/ het zaad dat daar geplant is door de vader.” Aldus de mannetjesgod Apollo. En hij krijgt gelijk van de mannelijkste godin van allen, Athene, geboren uit haar vaders hoofd. Zonder moeder.

Het is onzinnig en die rechtszaak is bovendien, op deze saillante regels na, het taaiste deel van het stuk. Maar regisseur Theu Boermans wist het onder spanning te zetten door dat gezicht van Klytaimnestra, gespeeld door Anniek Pheijffer, groot te tonen. Zij is de verliezer. Niet omdat er een winnaar is, want ook haar moordenaar Orestes heeft het zwaar te verduren. Hij is een sidderend wrak, gek geworden van twijfel, wroeging en angst. In deze voorstelling is hij meer dan ooit de Hamlet van de oudheid, even onzeker, even tekort gedaan, even driest en even beklagenswaardig. Al doet hij er, net als Klytaimnestra, uiteindelijk weinig toe; ze zijn ondergeschikt aan de belangen van goden, wie zij ook mogen zijn. Iedereen gebruikt die goden naar eigen inzicht.

Toch zit het grootste genot van de tragedie echt in het eerste stuk, ‘Agamemnon’, over de thuiskomst van de vervaarlijke krijgsheer uit Troje, over de door hem achtergelaten stad en de mensen die daar wonen, over wat hij gedaan heeft en over wat hem overkomt. Al die prachtige zinnen, die uiterst beknopte uitspraken van het koor, hen in de mond gelegd door de meester van de beknoptheid, Aischylos. Ik leef al jaren met de vertaling van Gerard Koolschijn, die me elke keer weer buitengemeen ontroert – het verhaal van het offer van Ifigeneia! „En het smeken en roepen van ‘vader’,/ het meisjesleven woog niets/ voor de oorlogszuchtige leiders.”

Maar merkwaardig genoeg hoorde ik zoiets helemaal niet, in plaats daarvan was er een uitvoerig en gruwelijk ooggetuigeverslag van die moord. Ook huiveringwekkend, daar niet van, maar zo anders, en zo uitvoerig! De gebruikte, mooi door Tom Kleijn vernederlandste vertaling van Ted Hughes ziet af van de raadselachtige beknoptheid van Aischylos en legt alles uit, soms meeslepend, soms gewoon lang.

Nu biedt de tekst wellicht aanknopingspunten voor zo’n andere versie, want die is uiterst gebrekkig overgeleverd, zodat het, volgens vertaler Koolschijn voortdurend onduidelijk is wat Aischylos precies heeft geschreven.

Bij Koolschijn zegt Kassandra: „O het leven van een mens! Als het gelukkig is,/ stoot een schaduw het omver. En is het ongelukkig,/ een natte spons wist met één veeg de tekening uit./ En dat is nog veel triester dan het eerste.”

Bij Hughes klinkt dat zo: „Dit was het leven./ De gelukkigste uren/ krabbels in krijt/ op een bord in een klaslokaal./ We staren ernaar,/ proberen het te begrijpen.// En dan keert het geluk ons de rug toe –/en wordt alles uitgewist.// De vreugde was niet minder pathetisch/dan het ergste leed.”

In beide gevallen aangrijpende woorden, die van 27 eeuwen geleden tot hier doorklinken. En die waar zijn, en blijven.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.