Column

Angst voor de uitroeiing

Eind 2015 sprak de man die zondag met keiharde anti-immigratieslogans de verkiezingen in Slovenië won, Janez Jansa, in een klein Weens gezelschap over zijn politieke plannen. Dit was middenin de vluchtelingencrisis. Maar Jansa, een oud-premier wiens rechtsconservatieve partij toen in de oppositie zat (hij zat zelfs een poosje in de gevangenis, vanwege een omkoopschandaal), sprak vooral over de privatiseringen die hij wilde doorvoeren als hij weer aan de macht kwam. Hij wilde het Sloveense old boys’ network breken. Na de val van de Muur, zei hij, was de revolutie in Slovenië uitgebleven. Apparatsjiks begonnen voor zichzelf, en speelden elkaar staatsbedrijven toe. De oude communisten werden de nieuwe kapitalisten. Volgens Jansa moest de echte zuivering nog beginnen.

Over de vluchtelingen, die ongeveer onder dat Weense raam langsliepen, zei Jansa weinig. Hij vond de samenwerking tussen Europese landen belabberd: iedereen schoof vluchtelingen door naar het volgende land. Slovenië ook. Toen iemand vroeg of er migratiepaniek in zijn land zou uitbreken, antwoordde hij: „Alleen als Duitsland of Oostenrijk de grenzen sluiten.” Dat is nu, meer dan twee jaar later, niet gebeurd. Er zijn controles maar de grenzen zijn open. Dankzij de deal met Turkije is de Balkanroute goeddeels gesloten. Slovenië heeft in twee jaar tijd – 2015 en 2016 – precies tweehonderd vluchtelingen geaccepteerd.

Waarom is Jansa dan tijdens de verkiezingscampagne keihard op de Orbán-toer gegaan? Waarom gebruikte hij posters met vreemdelingen bij een Stop-bord? Waarom riep hij elke dag dat Slovenië alleen bij nul-immigratie veilig is? Er is al bijna nul-migratie.

Geen vluchteling of migrant haalt het in zijn hoofd om in een land te blijven waar hij als vuil wordt behandeld. Zoals bekend emigreren veel Slovenen zelf, als ze de kans krijgen, om elders een beter leven op te bouwen. Hetzelfde gebeurt in Hongarije, Polen, Slowakije, Tsjechië, Bulgarije en Roemenië. De clou is: anders dan Italië of Duitsland, waar politieke opportunisten een écht vluchtelingenprobleem uitbuiten, zijn deze Oost-Eropese landen emigratielanden.

Tijdens een speech in Berlijn zei de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev vorige week dat de Oost-Europese hysterie over vluchtelingen hem doet denken aan 9/11 in Amerika. „9/11 ging ook niet om aantallen. Deze aanslag deed Amerikanen wel anders naar de wereld kijken. Hetzelfde doet de vluchtelingencrisis met Europeanen.” Ineens daagt het inzicht: alles is in deze wereld verknoopt met alles. Er zijn grote verschillen in rijkdom. Misschien komen arme Afghanen of Afrikanen niet naar Slovenië of Hongarije. Maar ze kunnen komen – dat demografische besef heeft zich in 2015 genesteld.

Wat dit voor Oost-Europeanen alarmerend maakt, is het dalende inwonertal in de regio. In de Baltische staten is de leegloop het sterkst. Bulgarije verloor 21 procent van de bevolking sinds 1989. In Roemenië vertrokken tussen 2007 en 2017 3,5 miljoen mensen. Hongarije verloor er na 2008 meer dan na 1956. Voeg daarbij de oeverloze Europese discussies over herverdeling van vluchtelingen, en het gevoel van machteloosheid is compleet. „Veel Oost-Europeanen,” zei Krastev, „kijken hun eigen sterfelijkheid in de ogen. Bulgaren zijn bang dat er over vijftig jaar niemand meer Bulgaars spreekt of Bulgaarse romans leest. Ze vrezen hun eigen extinctie.”

Het is geen toeval dat vooral kiezers uit leeglopende stukken van Duitsland op de AfD stemmen. Het is die diepe, existentiële angst die, met het inzicht dat je in deze wereld niet zelf aan de knoppen zit, maakt dat mensen bereid zijn op sluwe demagogen te stemmen. Alles wat je nodig hebt zijn politici als Jansa, die zo’n honger hebben naar macht en revanche dat ze bereid zijn mensen nog banger te maken dan ze al zijn.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.

“Correctie (11 juni 2018): door een misverstand stond hierboven enige tijd Balkanlanden waar Baltische staten werd bedoeld.