Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Tropenjaren

In Trouw stond een profiel van de eerste vrouwelijke burgemeester van Nederland. Mevrouw Truus Smulders-Beliën heerste tussen 1946 en 1966 als een moederkloek over de gemeente Oost-, West- en Middelbeers. Nadat bleek dat haar man, burgemeester Jan Smulders was omgekomen tijdens de oorlog schreef ze een sollicitatiebrief om zijn functie over te nemen. Het werd haar gegund.

In het artikel anekdotes die te mooi zijn om kapot te checken, zoals dat ze bij haar entree als burgemeester in het gemeentehuis ‘Leg mijn mantel maar efkes op het kadaster’ zou hebben gezegd. Smulders-Beliën vergeleek het besturen van haar gemeente met het ouderschap in een gezin. Ze bemoeide zich met alles en iedereen en schroomde bijvoorbeeld niet om te jonge bezoekers eigenhandig uit de kroeg te trekken.

Ik kende deze vrouw uit verhalen.

‘Ons mevrouw’ dronk iedere zondag tussen de Heilige Missen in, koffie bij mijn opa en oma in de onderwijzerswoning in de Willibrordstraat – gelegenheden waarbij alles en iedereen de maat werd genomen. Toen mijn vader als dienstplichtig militair terugkeerde uit Indonesië werd er een platte kar en een fanfare geregeld voor een feestelijke rondrit door Middelbeers. Daarover zei mijn vader later tegen mij dat hij het overdreven vond en zich ervoor schaamde – ‘Het enige wat ik gedaan heb is overleven’ – en dat hij zich van ellende had verstopt in een washok, maar dat ze hem toch vonden. Er zijn foto’s van de feestelijkheden. Mijn vader op een versierde stoel, achter de platte kar zijn zussen, de armen in elkaar gehaakt, strikken in het haar.

Echt veel zin om zijn werk als bakkersknecht weer op te pakken had mijn vader daarna niet, er brak een periode aan die hij later ‘het grote nietsnutten’ noemde. Volgens zijn enige, nog levende zus werd hij weleens slapend aangetroffen in een kruiwagen. Op een dag sleepte mijn oma hem naar haar vriendin in het gemeentehuis, maar het kan ook zijn dat ‘ons mevrouw’ zelf had besloten om hem te halen en aan het werk te zetten.

Ze zei: „Zo, ga jij hier om te beginnen maar eens koffiezetten.”

Zijn salaris bracht ze wekelijks naar mijn oma, waarna de vrouwen samen tevreden constateerden dat hij ‘steeds harder gaat werken’.

Het was voor mijn vader het begin van een carrière als ambtenaar die uiteindelijk op het provinciehuis in Arnhem zou stranden. Hij hield er een afkeer aan koffiezetten aan over.

Bij het afscheidsfeest vanwege zijn pensionering werd gezegd dat hij 37 jaar ambtenaar was geweest, maar dat dat officieel veertig was omdat ‘tropenjaren’ dubbel telden. Hij dacht toen even dat ze het over zijn tijd op het gemeentehuis van Oost- West- en Middelbeers hadden.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.

    • Marcel van Roosmalen