Rechters zijn huiverig om tbs op te leggen

Anne Faber

Had de rechter de dood van Anne Faber kunnen voorkomen? Volgens vader Wim Faber had Michael P. tbs moeten krijgen, ondanks zijn weigering mee te werken aan een onderzoek. Waarom zijn rechters daar huiverig voor?

Een exterieur van de kliniek Altrecht Aventurijn. Verdachte Michael P. in de zaak Anne Faber verbleef in de kliniek. Robin Utrecht/ANP

‘Wilt u dan geen inzicht krijgen waarom het zover heeft kunnen komen?” De voorzitter van de rechtbank begrijpt niet hoe de 20-jarige jongen die voor haar zit, zo heeft kunnen losslaan. Hoe iemand met zo’n beperkt strafblad in zo’n korte tijd zoveel slachtoffers kon maken. Afpersing, beroving en, erger nog, verkrachting van twee jonge meisjes langs de kant van de weg.

De officier van justitie wil de verdachte ter observatie laten opnemen in het Pieter Baan Centrum (PBC). Maar de verdachte weigert medewerking, hij wijt zijn gedrag aan drugsgebruik en foute vrienden. De rechter vindt dat geen verklaring voor zulk „gruwelijk” gedrag en dringt bij de verdachte aan op een onderzoek naar zijn psyche. „Bent u niet nieuwsgierig?”

„Neen.”

De zitting, opgetekend door de griffier, was in oktober 2010 en de verdachte heet Michael P.

Over het verloop daarna is veel gesproken. De rechter stuurt P. naar het PBC, waar hij onderzoek blijft weigeren uit angst voor een – mogelijk oneindige – tbs-maatregel (terbeschikkingstelling). De officier van justitie blijft erbij dat iemand die zulke delicten pleegt „gestoord moet zijn” maar eist, bij gebrek aan inzicht in een eventuele stoornis, alleen een gevangenisstraf. De rechter gaat daarin mee en veroordeelt P. in juni 2011 tot zestien jaar celstraf. Het hof in Arnhem verlaagt de straf in oktober 2012 tot elf jaar, meer in lijn met de jurisprudentie, en komt over de geestesgesteldheid van P. in zijn arrest niet meer te spreken. Het laatste deel van zijn straf zit P. uit in een kliniek in Den Dolder, waar hij onder voorwaarden naar buiten mag. Op 29 september 2017 vermoordt hij Anne Faber.

Het hof heeft zich onvoldoende ingespannen om de maatschappij, zijn dochter, te beschermen, schreef Wim Faber, de vader van Anne, eind mei in een brief in de Volkskrant. Volgens hem waren er signalen genoeg dat P. een stoornis heeft. „Alleen al de brute en vernederende wijze waarop hij de verkrachtingen uitvoerde, zou een tbs-maatregel rechtvaardigen”, schreef hij. De reclassering noemt het recidiverisico van P. „hoog/gemiddeld”. Bovendien gebruikte P. volgens Faber al vanaf jonge leeftijd cocaïne, zou hij wegens gedragsproblemen vaak van school zijn gewisseld en aantoonbaar agressief zijn geweest. Daarnaast zijn er getuigen die verklaren over de uitlatingen die P. deed. Hij was „trots” op de verkrachtingen, „blij dat een droom was uitgekomen”.

Lees ook: Oud-raadsheer Geert Corstens reageert op de vader van Anne Faber die de moord op zijn dochter wijt aan een falende rechtsgang.

Hoe kun je dán nog niet gestoord zijn, vraagt Faber zich af. Hij verwijt het hof achteroverleunen. „Met een meer kritische opstelling was het wel mogelijk geweest tot onderbouwing van een stoornis te komen, daarvan ben ik overtuigd.” Zijn oproep aan de voorzitter van het Arnhemse hof om zijn verantwoordelijkheid te nemen en zijn huidige functie neer te leggen, leidde tot discussie in de media. En telkens was de onderliggende vraag: hoeveel ruimte heeft een rechter om tbs op te leggen aan een verdachte die elk onderzoek weigert?

Allereerst de wet. Die schrijft voor dat voor een tbs-oplegging aan drie voorwaarden moet zijn voldaan: een ernstig delict (vier jaar of meer gevangenisstraf), een reële kans op herhaling en een gebrekkige ontwikkeling (idiotie) of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

Vooral dat laatste aantonen kan moeilijk zijn. De rechter dient zich te laten adviseren door een recent rapport van een gedragskundige. Als dat niet mogelijk is, zoals bij weigeraars als Michael P., vervalt de eis en mag de rechter ook oudere rapporten raadplegen en bewijs voor een stoornis op een andere manier vergaren.

De rechter kan zich volgens de jurisprudentie best wat vrijheid permitteren. Zo hoeft de stoornis niet te zijn geclassificeerd in een psychiatrisch handboek en beslist formeel uiteindelijk de rechter en niet de medicus of de verdachte een stoornis heeft. Ook hoeft de stoornis niet aantoonbaar te hebben geleid tot het delict – een ‘gelijktijdigheidsverband’ is genoeg – en geldt dat de rechter geen zekerheid hoeft te hebben dat de verdachte een stoornis heeft, waarschijnlijkheid is genoeg.

Vereiste is wel dat er een rapport van een gedragsdeskundige ligt. Dus zal ook van een verdachte die onderzoek weigert, een rapport moeten worden opgemaakt. Dat gebeurt sinds dit jaar op een speciale afdeling voor weigerende observandi in het PBC, onderdeel van een pilot. Het therapeutisch klimaat is er zo ingericht dat een verdachte zich minder makkelijk aan groepsleiders kan onttrekken – zo is er alleen een spelcomputer op de groep en niet op cel. In 2011, toen Michael P. ter observatie was opgenomen, onderzocht het PBC weigeraars ook „zo intensief mogelijk”, zegt PBC-directeur Joost Harkink. „Ook in die periode gaf het PBC over weigeraars adviezen aan de rechtbank.”

Door iemand alleen te observeren kán diagnose stellen mogelijk zijn. Bijvoorbeeld vanwege afwijkend gedrag in de groep. Of het genoeg is hangt af van hoeveel informatie uit andere bronnen beschikbaar is, zegt Harkink. „En hoe zichtbaar de stoornis is.” Een persoonlijkheidsstoornis verberg je makkelijker dan een psychose.

„Blijkbaar was daar destijds onvoldoende uitgekomen”, constateert tbs-advocaat Jan-Jesse Lieftink. „Anders was het hof daar in zijn arrest op teruggekomen.” Maar het is lastig oordelen over een zaak waarvan je het dossier niet kent, zegt hij. „Alles wat erover naar buiten komt, roept vooral vragen op.”

Zoals de vraag of het hof voldoende heeft gepoogd een eventuele stoornis bij Michael P. vast te stellen. De vader van Anne Faber vindt van niet. Heeft hij gelijk?

Lees ook het NRC-Commentaar: De rechtsgang faalde in de zaak-Faber, maar die is dan ook zeer feilbaar.

Hoogerheide-zaak

Advocaat Lieftink wijst op een arrest van het hetzelfde gerechtshof in Arnhem, verschenen in mei 2011, één maand voor de uitspraak van de rechtbank in de zaak van Michael P.

Dat arrest, bekend als de Hoogerheide-zaak, heeft de beslissingsruimte van de rechter om zelfstandig tbs op te leggen aanzienlijk vergroot. De zaak draaide om de vervolging van een 22-jarige verdachte die in 2006 een 8-jarige jongen om het leven bracht. Gedragsdeskundigen vonden veel aanwijzingen voor een stoornis maar konden die niet bevestigen, ook omdat hij medewerking weigerde aan onderzoek in het PBC. En toch besliste het hof uiteindelijk tot oplegging van tbs. Op basis van sterke aanwijzingen uit een ouder psychiatrisch rapport, de gruwelijkheid van de daad zelf, het gegeven dat de verdachte een eerdere behandeling niet had afgemaakt én verklaringen van zijn moeder, huisgenoten en anderen over zijn bizarre gedrag. Voor het eerst maakte de rechter naast rapportages van gedragsdeskundigen óók gebruik van andere bronnen zoals getuigenverklaringen om een stoornis aan te nemen.

„We bleken meer ruimte te hebben dan gedacht”, zegt de Groningse rechter Rob Keurentjes, gespecialiseerd in psychiatrie. Maar ook met het Hoogerheide-arrest in de hand kan een rechter niet zelfstandig beslissen dat iemand een stoornis heeft, zegt hij. „Er zal áltijd een medische diagnose moeten zijn. Wij rechters zijn nu eenmaal niet van de witte jas. Wij kunnen alleen de rechtsontwikkelingen volgen. Die laten niet toe dat je iemand zonder deskundigenoordeel tbs oplegt.”

Het aantal zaken waarin bij weigerachtige observandi alsnog tbs wordt opgelegd, lijkt te zijn gestegen na het Hoogerheide-arrest. Ook omdat bij de magistratuur niet langer het misverstand bestond dat bij een verdachte die onderzoek weigert, een tbs-oplegging sowieso niet mogelijk was – zoals ook de officier van justitie dacht bij behandeling in eerste aanleg van de zaak van Michael P. in 2010. Maar de rechter blijft voorzichtig en onderbouwt zijn beslissing in veel gevallen met meerdere oudere rapportages, blijkt uit onderzoek, en anders met het rapport van gedragsdeskundigen van het PBC die in staat bleken een stoornis vast te stellen.

Had de rechter in 2011 voldoende aanknopingspunten om een stoornis bij Michael P. vast te stellen?

De vraag is alleen te beantwoorden met volledige kennis van het dossier. Zoals ook de vraag onbeantwoord blijft of de gruwelijke daad van P. mét een tbs-maatregel was voorkomen. In 2011 was de gemiddelde duur van tbs tien jaar, nu acht jaar. Ook tbs kent proefverlof.

    • Freek Schravesande