Recensie

Hoe de elite zich liet verleiden door het Derde Rijk

Elite in het Derde Rijk

Een ideeëngeschiedenis over vier vooraanstaande intellectuelen en kunstenaars in het Derde Rijk laat zien dat zij om de meest uiteenlopende redenen voor de nieuwe machthebbers kozen.

Nazi-kopstukken applaudisseren voor de Berliner Philharmoniker onder leiding van chef-dirigent Wilhelm Furtwängler. Foto Hulton Archive/Getty Images

Literatuurwetenschapper Helmut Lethen fabuleert er op los in zijn nieuwe boek Die Staatsräte. Dat komt niet door een gebrek aan kennis. Lethens imposante literatuurlijst achterin zijn boek beslaat maar liefst tien pagina’s. Toch bouwt hij niet alleen op zijn eruditie in deze studie naar de houding en zelfrechtvaardiging van een viertal prominente intellectuelen en kunstenaars in het Derde Rijk, die na de omwenteling van 1933 met de nieuwe machthebbers gingen samenwerken.

In zijn ‘docufictie’ voert hij hen op in fictieve gesprekken (Geistergespräche). Zijn gesprekspartners zijn dirigent Wilhelm Furtwängler, chirurg Ernst Ferdinand Sauerbruch, acteur en regisseur Gustav Gründgens en de controversiële jurist en rechtsfilosoof Carl Schmitt. De ‘grote vier’, zoals Lethen (1939) ze noemt, waren allen door nazi-kopstuk Herman Göring benoemd tot leden van de zogeheten Pruisische Staatsraad.

Die hoge, maar grotendeels symbolische ere-functie ging terug op een oude Pruisische staatsinstelling. Maar na 1933 had de Staatsraad vooral als functie om het Derde Rijk een aura van historische continuïteit en respectabiliteit te verlenen. Een adviesraad van prominenten verhield zich slecht met de almachtige positie van de leider in de Führer-staat. De Pruisische staatsraad kwam dan ook slechts vier keer bijeen en heeft nooit enig noemenswaardig besluit genomen. Na 1936 stierf het instituut een stille dood.

Lethens gesprekspartners waren mannen die tot de top van hun professie behoorden. Natuurlijk was de braindrain van – niet alleen Joodse – kunstenaars en wetenschappers na 1933 voor de Duitse cultuur een pijnlijke aderlating. Rancuneuze, middelmatige talenten bemachtigden mooie, nieuwe banen in het kielzog van de NSDAP. Maar dat gold niet voor de gevestigde elite, waar de hoogbegaafde ‘staatsraden’ een prominent deel van waren. Hoe konden uitgerekend zij zich laten verleiden door het regime?

Menselijke zwakte

Natuurlijk speelde menselijke zwakte en opportunisme een rol. Dirigent Wilhelm Furtwängler (1886-1954) had menige mond te voeden van zijn buitenechtelijke kinderen; een financiële verplichting waar Joseph Goebbels, de minister van Propaganda en cultuur, alle begrip voor had, zo noteert Lethen.

Toch krijgen die al te menselijke factoren niet de meeste aandacht. Helemaal geen aandacht besteedt Lethen zelfs aan de bijna vanzelfsprekende vaderlandsliefde, zo niet het chauvinisme, die het oordeelsvermogen vertroebelde en verblindde, ook van prominenten die weinig op hadden met de haatdragende retoriek van het regime.

Lethen heeft in de eerste plaats een ideeëngeschiedenis willen schrijven; een vervolg op zijn beroemde studie Verhaltenslehren der Kälte (1994). Daarin analyseerde hij op een originele manier de positie van intellectuelen tijdens het Interbellum aan de hand van de destijds veel gelezen en bediscussieerde Handorakel van de 17de-eeuwse Spaanse jezuïet Baltasar Grácian: driehonderd aforismen, die op een soms cynische wijze leefregels bieden voor een wereld die grotendeels in het teken staat van domheid en vijandigheid. De hernieuwde populariteit van Grácians koele, berekenende geschrift berustte niet op toeval. Na de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog waren de meeste overgeleverde waarden hol gebleken. In dat culturele en maatschappelijke vacuüm bood het Handorakel van Grácian een uitweg.

Van Lethens vier hoofdpersonen leent het radicale denken van Carl Schmitt (1888-1985) zich het best voor een analyse aan de hand van die ‘kille’, praktische levensfilosofie. Hij is ook degene die ideologisch het diepst verstrikt raakte in het nieuwe regime.

Lethen laat hem in een van zijn gesprekken zijn controversiële, nog steeds veelbesproken ‘vriend-vijand’-theorie ontvouwen: Schmitts stelling dat het wezenlijke onderscheid in de politiek bestaat uit het existentiële onderscheid tussen vriend en vijand. Met onderkoelde, abstracte redeneringen legitimeerde hij de wijze waarop Hitler na 1933 korte metten maakte met de rechtsstaat. Dat Schmitt niet nog veel dieper verstrikt is geraakt in het regime, dankte hij vooral aan de tegenwerking die hij vanaf 1936 ondervond van jaloerse concurrenten in de partij.

Gloedvol betoog

Met begrippen als afstandelijkheid, kunstmatigheid en vormbesef maakt Lethen ook een scherpe analyse van de rol van de prominente acteur, regisseur en theaterleider Gustav Gründgens (1899-1963) in het Derde Rijk. Hij laat Gründgens een gloedvol betoog houden over het belang van het masker, de vorm en de schijn in de kunst. Met expressie heeft kunst helemaal niets te maken. Dan zouden jankende honden namelijk de grootste kunstenaars zijn. Die geven zich immers over aan pure expressie.

Boeiend zijn ook Lethens reflecties op Gründgens beroemde rol als Mefisto in Goethes Faust: een dramatische uitvergroting van zijn banale, alledaagse bestaan als meeloper van het regime. Gründgens had als homoseksueel overigens de protectie van Göring bitter nodig om te kunnen overleven.

Veel minder goed uit de verf komt de medicus Ernst Ferdinand Sauerbruch (1875-1951), een pionier op het terrein van de plastische chirurgie. Hij blijft in het boek een nogal vage schim.

Dirigent Wilhelm Furtwängler lijkt Lethen zelfs niet helemaal serieus te nemen. Hij past ook het minst in zijn schema van een generatie intellectuelen, die met hun radicale levensontwerpen de leegte te lijf gingen. In Furtwänglers romantische opvattingen over muziek was weinig ruimte voor afstand en vervreemding, maar stonden oude begrippen als inspiratie en versmelting met de componist – Beethoven vooral – centraal.

Furtwängler die uit een conservatief milieu stamde, leefde mentaal nog grotendeels in de negentiende eeuw. Hij heeft onvoldoende beseft – of willen beseffen – dat begrippen als ‘organische kunst’, ‘volksgemeenschap’ en ‘genie’ in het Derde Rijk een radicaal andere, duistere betekenis kregen. Maar daarmee was Furtwängler misschien wel méér representatief voor de conservatieve Duitse elite dan mannen als Schmitt en Gründgens, die voorop hadden gelopen bij de culturele en intellectuele vernieuwingen na de Eerste Wereldoorlog. Uiteindelijk kwamen deze mannen allemaal in dezelfde gecompromitteerde, beschamende positie terecht.

    • Peter de Bruijn