Recensie

Daniël Vis sleept je een duistere, Black Mirror-achtige wereld in

Daniël Vis

In zijn tweede bundel sleept deze jonge dichter je een duistere wereld binnen waarin elke zekerheid van haar logica wordt ontdaan.

Foto: AE/NRC

Daniël Vis (1988) beheerste in zijn debuutbundel Crowdsurfen op laag water al de kunst van de vervreemding met zijn ragfijne gevoel voor sociale kortsluiting, maar met Insect Redux gaat hij een stap verder.

In zijn tweede bundel sleept hij je een wereld in waar elke zekerheid van haar vanzelfsprekendheid ontdaan wordt. In allerlei losse fragmenten, gemonteerd in elkaar afwisselende reeksen, formuleert een ongespecificeerde ik-persoon (of zijn het er meer?) alles wat hij ziet en denkt met als doel om grip te krijgen op wat er gebeurt.

Masturberen heet dan: ‘het zijn steeds m’n eigen handen die me aftrekken. / ze doen het meerdere keren per dag, uit zichzelf.’ Even verderop: ‘wat ik doe helpt, maar ik weet niet waartegen. // ik denk aan onze ledematen die met elkaar in contact komen. / ik fantaseer over herhaalde botsingen.’

Ja, fantaseren over iemand gaat over contact en botsingen, maar wie zegt dat ooit zo geabstraheerd, mechanisch en procedureel?

Zo gaat het de hele bundel. Insect Redux begint met iemand die het beeld op de televisie stilzet, precies op het moment wanneer iemand begint te praten: ‘de spieren zitten vast in de vorm die ze maken net voordat / het geluid naar buiten komt. // de ogen iets wijder open dan normaal.’ Dan trekt deze ik-persoon met een stift de contouren van het lichaam over op het televisiescherm, met als slotgedachte: ‘er moet een keer een beeld ontstaan waarop iemand voorkomt / die opnieuw precies in de omtrek past.’

Afzondering

Deze vreemde situaties worden versterkt doordat de ruimte waarin de ik-persoon van Insect Redux zich bevindt uitermate vaag blijft. Of moet ik hier, net als bij het personage, zeggen: meerdere ruimtes? Een associatie met een gesloten afdeling dringt zich snel op, omdat er in termen van cliënten gesproken wordt en de ik-persoon zich in een sessie ‘emoties kleuren’ bevindt.

Of bevinden we ons in het hoofd van het personage waarin manie, angst en wantrouwen samenkomen? Zodra er mensen in de buurt zijn, hoeft hij alleen maar een combinatie van woorden te zeggen: ‘de combinatie moet passen in het spel tussen de levensvormen.’ Hij kent de sociale conventies, maar niet de achterliggende logica: ‘ik functioneer volgens regels waar ik zelf geen invloed op heb.’ Nu zijn conventies ook niet per se logisch, wel uitermate dwingend, met als gevolg dat het kiert tussen verwachting en werkelijkheid. Keer op keer weer, iets wat Vis heel schrijnend demonstreert.

Zoals bij de man in de rolstoel die naar het raam wijst en ‘ik’ zegt: ‘hij weet dat het woord dat hij zegt niet past / bij waar hij naar wijst.’ Zulke haperingen veroorzaken onrust, vandaar dat de hoofdpersoon met allerlei wetenschappelijke feiten het gat probeert te dichten. Nadat hij even heeft staan meekijken: ‘ik zoek naar een begin dat verder terug ligt dan de man. // er is een wet die beschrijft hoe licht breekt / als het de grens tussen 2 verschillende media passeert.’

Op feiten denkt hij terug te kunnen vallen, in tegenstelling tot de eigen waarneming of sociale conventies.

Een andere mogelijke interpretatie is dat we ons bevinden in een laboratorium met een huiveringwekkende, Black Mirror-achtige allure. Mensen worden gereduceerd tot onderzoeksobjecten, net als insecten en ratten. In het gedicht ‘voorbij dit punt alleen toegang voor medewerkers’ lijkt het alsof de menselijke objecten – onder wie de ik-persoon – zich in een computergestuurde simulatie bevinden. De computers hebben controle over de kill switch en gedragen zich als zwerm. Er is iets vreemds in het leidingwater gedaan: ‘het zouden smaakstoffen kunnen zijn die de aanwezigheid / van iets anders moeten maskeren. // nanorobots passen makkelijk door de leidingen.’ De ik-persoon volgt de lopende scripts, zoals de toediening van medicatie. Ondertussen: ‘mijn armen zijn met witte banden vastgemaakt aan het bedframe.’

Neurotische blik

In Insect Redux werkt elk detail ondermijnend. De feiten die de ik-persoon opdist, versterken zijn desintegratie alleen maar, met als gevolg dat je die feiten zelf in twijfel gaat trekken. Er is veel spanning tussen de betrouwbare wetmatigheden en de vervreemdende sociale situaties en ruimtes waarin de ik-persoon zich bevindt (of: gedwongen ziet), diens neurotische blik op en interpretatie van de wereld. Zo genereert Vis een indringende paranoia.

Dan blijft ook nog onduidelijk of er één persoon spreekt (‘tot nu toe vallen mijn vorm en ik continu samen. / ik ben bang voor het moment dat dit ophoudt.’) of dat we meerdere stemmen horen die zich als zodanig vermommen.

Vis bewerkstelligt deze beklemming ook nog op een ander niveau. De lezer raakt steeds verstrikter in het web waarvan hij, net als de ik-persoon, niet de grotere structuur kan overzien, maar wel wéét dat die bestaat en waarop continu gezinspeeld wordt met nummeringen en terugkerende motieven. Geïsoleerd en onthutst realiseert die zich steeds meer dat dat hellende vlak de enige zekerheid is waar die op kan rekenen.