Gezocht: masterplan voor de Maasstad

Ruimtelijke ordening De Rotterdamse ruimte is schaars en wordt in rap tempo duurder. Er is dus behoefte aan ruimtelijke ordening, maar een duidelijke visie op hoe de stad met die schaarste moet omgaan, ontbreekt.

Nieuwbouwproject Nieuw Crooswijk zoals het er in juli 2009 bij lag. Het project liep vertraging op omdat er te weinig huizen werden verkocht. Pas na 23 miljoen euro extra van de gemeente en de ontwikkelaar ging de bouw verder. Foto Walter Herfst

Een maquette en een verliefde minister. Daaraan heeft Rotterdam haar iconische Erasmusbrug te danken. Bijna was de brug er niet geweest. Weliswaar viel het ontwerp, gemaakt door een jonge Amsterdamse architect, in de smaak, maar het prijskaartje beviel allerminst. De gemeenteraad vond ’m veel te duur. „Niet de noodzaak van de brug stond ter discussie”, herinnert Bram Peper zich, „maar wel de kosten. We kwamen miljoenen tekort.” En dus tekende de dienst Gemeentewerken een eigen brug. Minder swingend, maar wel budgettair verantwoord.

Riek Bakker, destijds hoofd van de dienst Stedebouw en Volkshuisvesting, zou het worst wezen welke brug er kwam. „Dát er een brug kwam, dat was het belangrijkste. De verbinding van noord naar zuid was noodzaak en de brug was maar één stap in de ontwikkeling van de Kop van Zuid. Ik had maar één eis: de brug mocht absoluut niet met de kont naar zuid staan.”

Bakker liet twee maquettes maken. Eentje met een ontwerp van haar eigen ambtenaren, binnen budget, en eentje door de onbekende Amsterdamse architect Ben van Berkel, 45 miljoen gulden te duur. „Dus ik regel een afspraak met Hanja Maij-Weggen, destijds minister van Verkeer en Waterstaat”, vertelt Peper. „We komen haar kamer binnen, maquettes in de aanslag. Hanja pakt de Erasmusbrug, zet die in haar raam en kijkt niet eens om naar dat andere ontwerp. Ja, toen was het qua geld geregeld.”

Tien jaar na dato probeert Ivo Opstelten dat kunstje te herhalen. Plaats van handeling is het ministerie van Financiën, met Gerrit Zalm op het hoogste ambt. De inzet is een ambitieus en zeer omstreden ontwerp voor het nieuwe centraal station van de Britse architect William Alsop. Het gedurfde station, met enorme champagneglazen op het dak, is óók onderdeel van een groter plan, namelijk de herinrichting van het stationskwartier, destijds nog een behoorlijk guur stuk stad. Van het champagnestation heeft Opstelten eveneens een mooie maquette laten maken. „We gingen er full swing voor”, zegt hij, „tot en met een mooi voetstukje onder de maquette. Zalm pakt het aan en zegt: ‘Deze komt bij mij op de schouw te staan, zodat ik tegen mijn kleinzoon kan zeggen dat ik er hoogstpersoonlijk voor gezorgd heb dat dit megalomane, veel te dure ding er níet is gekomen’.”

Lees ook: Hoogbouw voor hoogvliegers

Opstelten lacht smakelijk en vervolgt: „Soms heb je zo’n harde terechtwijzing nodig. Er was veel kritiek op het plan, het was te duur voor de gemeente Rotterdam alleen, de bewoners van de achterliggende Provenierswijk waren mordicus tegen. Daarbij, iedereen heeft ons zien worstelen en een aantal keer zien sneuvelen. Ook dat is soms nodig. Want kijk wat we nu daar bereikt hebben.”

Foto Walter Herfst

Scharnierpunt

Wat in het ene tijdsgewricht werkt, faalt in het andere. „Theoretisch kun je heel goed bedenken hoe de hazen moeten lopen”, zegt Riek Bakker, „maar de praktijk is altijd anders. Ruimtelijke ordening blijft mensenwerk.”

Momenteel weet eigenlijk niemand goed welke route de hazen zullen kiezen. Althans niet op het gebied van ruimtelijke ordening, want dat metier bevindt zich op een scharnierpunt. Het is niet meer een kwestie van de markt het meeste werk laten doen, zoals in Opsteltens tijd. Het is ook niet meer een kwestie van een sterk stadhuis dat gedecideerd het voortouw neemt, zoals in de tijd van Peper en Bakker.

Sterker nog: na zestien jaar populisme heeft de korte termijn de overhand gekregen op het stadhuis en dat doet de ruimtelijke ordening geen goed. Tegenwoordig zijn discussies over een Nederlandse vlag op het stadhuis belangrijker dan discussies over menselijke waarden, waarop Rotterdam gebouwd wordt, is de teneur.

Welke richting het op moet met ruimtelijke ordening, is de vraag. Stedenbouwkundige Bakker zet haar geld op het participatiemodel. „De macht zit nog altijd bij de Rotterdammers zelf. Als zij zich uitspreken voor een bepaald leefklimaat, heeft de raad daar maar naar te luisteren.”

Weet de Rotterdammer eigenlijk wel wat-ie wil? Ook dat is nog maar de vraag. Evident is dat de Rotterdammer die luid en duidelijk laat horen wat hij níet wil, de overhand krijgt. De anti-stem domineert het debat. Dat is meer dan eens onterecht, weet Peter van der Gugten, directeur vastgoed van Heijmans, en al dertig jaar actief in bouwend Rotterdam. Zijn Heijmans bouwt momenteel Nieuw Crooswijk, een buurt die flink in de belangstelling staat. Want: gentrificatie in optima forma.

Het frame luidt: die arme Crooswijkers worden hun wijk uit geklierd door hipsters met een ruimere portemonnee en een voorliefde voor moeilijke koffie. „Dat klopt niet”, vindt Van der Gugten. „Het overgrote deel van de zittende bewoners was enorm blij met de transformatie en met hun nieuwe woning. Ze konden in de wijk blijven. Nu is het een gewilde wijk, bestaande uit uiteenlopende woningen.”

Van der Gugten heeft tien jaar geleden aan den lijve ervaren hoe genadeloos de anti-groep oppositie voerde. „Dat kopstukken uit de bouw aarzelen om zich te verbinden aan gewaagde projecten als Nieuw Crooswijk kan ik me daarom goed voorstellen. Terwijl, wat gebeurt er met de stad als je het niet doet?”

Op de foto van deze week, negen jaar na de foto hierboven, is de voortgang te zien. Foto Walter Herfst

Inclusieve stad

Niets doen is geen optie. Rotterdam staat te springen om een duidelijke visie op de steeds duurdere en steeds schaarsere ruimte. Het einde van de beleidslijn die Rotterdam de Markthal, een nieuw station, de Calypso, een vlucht voorwaarts op Zuid en De Rotterdam opleverde, is bereikt. De druk op de woningmarkt is enorm. Niet eerder stegen de huizenprijzen zo hard. Nieuwe vergezichten zijn er echter nog niet. Maar, zo merkt Van der Gugten op: „Bouwen gaat de stad hoe dan ook. De vraag is: wat gaan we neerzetten? En voor wie?”

Foto Walter Herfst

Dat wordt momenteel uitgedacht op de 25ste verdieping van De Rotterdam. Onder leiding van directeur gebiedsontwikkeling Jos Melchers is een Omgevingsvisie in de maak. „Superbelangrijk”, noemt Melchers die. De visie stuurt aan op een circulaire, compacte, gezonde, inclusieve en productieve stad, zet de voormalig ontwikkelaar uiteen. „Door deze opgave vanuit al die invalshoeken te benaderen, maken we ons werk complexer. Maar dat doen we omdat we daar als stad uiteindelijk het verst mee komen.”

Schaken op meerdere borden tegelijkertijd, dus, met als inzet een stad die verrast, omarmt en toch vertrouwd voelt. „Dit is een stad van contrasten en van verschillende snelheden. Dat moeten we intact zien te houden. Het gaat om de balans.” Hij vergelijkt Rotterdam met een groot mozaïek. „Je hebt een paar grote stenen nodig, maar het totaalbeeld wordt alleen goed met heel veel kleine steentjes.”

Dit stuk is tot stand gekomen in samenwerking met website Vers Beton. Het komt voort uit het eerste onderzoeksproject van auteur Margot Smolenaars voor de website met subsidie van Stichting Democratie & Media en CityLab010.

    • Margot Smolenaars