Die persoonlijke pensioenpotjes kan Koolmees wel vergeten

Pensioenhervormingen Werkgevers en vakbonden onderhandelen al sinds 2014 over een nieuw pensioen. Niet eerder waren ze zó dicht bij overeenstemming. Dit is wat we tot nu toe weten.

Illustratie Roland Blokhuizen

Probeer het maar eens voor elkaar te krijgen als kabinet: het pensioen veranderen. Er staat veel op het spel. 1.400 miljard euro in de kassen van de pensioenfondsen. Werkgevers én werknemers die zich er volop mee bemoeien door hun grote belangen: zij betalen de premies en besturen de fondsen. En dan heb je de ouderen, een steeds grotere groep kiezers: zij moeten langer doorwerken en zien hun pensioen sinds de crisis steeds minder waard worden.

Minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) kan dus bijna niet anders dan wachten totdat de werkgevers en vakbonden, die al jaren onderhandelen over het pensioen, er samen uit zijn. Pas als dat zover is en het kabinet zich erin kan vinden, komt Koolmees met wetten en regels over dat nieuwe pensioen.

Vorige week kwam via De Telegraaf een tussenstand naar buiten van die onderhandelingen. Nog niet eerder waren werkgevers en vakbonden zó dicht bij overeenstemming. Waar gaat het om?

  1. Wat Koolmees wil

    Nu sparen werknemers nog voor hun pensioen in één grote gezamenlijke pot bij hun eigen pensioenfonds. Op dit moment gaat het erom wat ze later zullen krijgen: de fondsen moeten hun pensioenspaarders een bepaald uitkeringsbedrag garanderen. Daarna moeten ze dat nog waar zien te maken. Sinds de crisis vanaf 2008 is gebleken dat dat lang niet altijd lukt.

    Het is dus een ‘schijnzekerheid’. Minister Koolmees, werkgevers en vakbonden willen ervan af. Daar komt bij: door die garantie voor de toekomst kunnen pensioenen nu niet verhoogd worden, ook al halen de fondsen goede beleggingsresultaten. Fondsen moeten hun rendementen eerst gebruiken om grote reserves op te bouwen: ze moeten voorzichtig zijn.

    Hoe kan het dan wel? Door niet die toekomstige uitkering als uitgangspunt te nemen, maar vooral te kijken naar de premie die mensen betalen en het resultaat van beleggingen zoals die nú zijn. Er wordt hooguit voorzichtig voorspeld wat je later krijgt. Pensioenfondsen hoeven daardoor minder voorzichtig te zijn en niet zulke grote reserves in kas te houden. In goede tijden is dat fijn voor iedereen: de pensioenen van ouderen én sparende werknemers worden snel verhoogd. De keerzijde: bij verliezen worden de pensioenen sneller gekort.

    Nu krijgt iedereen voor dezelfde euro aan premie hetzelfde pensioenbedrag. Dat is eigenlijk geldoverdracht van jong naar oud

    Het liefst wil Koolmees dat werknemers hun eigen pensioenpotje krijgen, nog steeds beheerd door pensioenfondsen. Maar wel met een gezamenlijke buffer om risico’s, zoals slechte beleggingsresultaten, te delen. Op hun rekeningafschrift kunnen werknemers precies zien hoeveel ze hebben gespaard, wat hun beleggingsresultaat is en wat ze hebben afgedragen of gekregen uit de gezamenlijke buffer. Het beleggingsbeleid en dus ook de pensioenopbrengst kan tussen deelnemers van één fonds verschillen.

    Het kabinet wil nog iets veranderen. Nu krijgt iedereen voor dezelfde euro aan premie hetzelfde toekomstige pensioenbedrag. Dat klinkt eerlijk, maar eigenlijk is het een geldoverdracht van jong naar oud, want een euro die een dertiger inlegt is meer waard – omdat die langer belegd kan worden – dan een euro die een zestiger inlegt. Door die zogenoemde ‘doorsneesystematiek’ betaal je de eerste helft van je werkzame leven relatief veel premie en de tweede helft relatief weinig. Prima voor de werknemer die zijn hele leven in loondienst blijft. Maar wie op zijn vijfenveertigste zzp’er wordt en stopt met pensioensparen, heeft te veel betaald.

    Werkgevers, vakbonden en deskundigen onderhandelen al sinds 2014 over een nieuw pensioen. Dat doen ze in de Sociaal-Economische Raad, het overlegorgaan van de sociale partners. Tot begin dit jaar spraken zij vooral over de persoonlijke pensioenpotten. Dat wisten de coalitiepartijen tijdens de kabinetsformatie. Daarom hebben ze die persoonlijke potten alvast opgeschreven in hun regeerakkoord. Maar daarin staat ook dat het pensioen sámen met de sociale partners veranderd moet worden.

  2. Het bezwaar van vakbonden

    De vakbonden zijn nooit enthousiast geweest over die potjes. Vooral in de achterban van de FNV was er wantrouwen: veel leden vinden het een slecht idee om pensioenen individueler te maken. Dat is niet solidair genoeg, vinden zij. Ze zijn bang voor grote verschillen tussen mensen die hun pensioen opbouwen in economisch goede en slechte tijden: ‘pech- en gelukgeneraties’.

    Toch hebben de vakbonden nog lang over de potjes onderhandeld. Tot in detail is besproken hoe die eruit moeten zien. Er werden talloze toekomstscenario’s uitgerekend: hoe gaat dit pensioen uitpakken voor jongeren, ouderen, hoge en lage inkomens?

    Volgens vakbonden pakten die berekeningen slecht uit. Anderen ontkennen dat. Het lastige is: er zijn zó veel berekeningen dat iedereen die op zijn eigen manier interpreteert.

    Begin dit jaar werd duidelijk: met de persoonlijke potjes kan de FNV écht niet leven – ook niet als daar allerlei collectieve buffers aan zijn toegevoegd om deelnemers risico’s te laten delen. De vakbeweging zou alleen kunnen instemmen met een collectief, ‘solidair’ pensioen.

  3. Werkgevers buigen mee

    De werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland zien wél veel in persoonlijke pensioenpotjes, net als het kabinet. Maar als de vakbonden die echt niet willen, buigen ze mee – pragmatisch als ze zijn. Ze zien in dat er iets moet veranderen, zeker nu de pensioenen al zo lang niet stijgen.

    Daar komt bij: voor de achterban van de werkgeverslobby, de ondernemers, is het niet héél belangrijk hoe het pensioen er precies uitziet. Hun enige directe belang is dat de pensioenpremie, waar zij aan meebetalen, niet al te onzeker is: het ene jaar laag, het andere jaar hoog.

    Daarom gaan de onderhandelingen sinds begin dit jaar over zo’n collectief pensioen.

    De pensioenenfondsen blijven dan hun pensioengeld, net als nu, vanuit één collectieve pot beleggen. De risico’s en beleggingsresultaten worden gelijk verdeeld onder alle deelnemers. Maar: de ‘schijnzekere’ toekomstgarantie wordt losgelaten. Er wordt dus gekeken naar de premie die mensen betalen en het resultaat van beleggingen nu. In elke sector moeten werkgevers en werknemers om de paar jaar afspreken hoeveel pensioenpremie ze maandelijks willen inleggen – zo krijgen ondernemers de stabiele premie die ze zo graag willen.

    De garantie op een bepaald bedrag blijkt een schijnzekerheid. Het kabinet, werkgevers en vakbonden willen ervan af

    Beleggingswinsten en -verliezen worden sneller voelbaar voor deelnemers, maar om al te grote schommelingen te voorkomen, worden ze verspreid. Een beleggingswinst wordt niet in één keer, maar bijvoorbeeld over tien jaar uitgekeerd.

    De ‘doorsneesystematiek’, de overdracht van jong naar oud, wordt afgeschaft. Met een belangrijke voorwaarde: er moet compensatie komen voor mensen die benadeeld worden door die afschaffing.

    Bronnen rond de onderhandelingen zijn voorzichtig positief over de afspraken, maar benadrukken dat er nog lang geen definitieve overeenstemming is. De vakbonden en werkgevers moeten allebei hun achterban nog raadplegen – hun instemming is cruciaal voor een akkoord. Voor de zomervakantie zijn ze daar nog niet klaar mee, is de verwachting.

  4. De principes van kroonleden

    Er is nog een partij nodig om tot een akkoord in de Sociaal-Economische Raad te komen: de deskundige, door de regering benoemde, ‘kroonleden’.

    Van meerdere kroonleden is het bekend dat zij het belangrijk vinden dat er persoonlijke pensioenpotjes komen. Een van hen is Job Swank, directielid van De Nederlandsche Bank, die ook toezicht houdt op de pensioenen. Zolang fondsen één gezamenlijke pensioenpot hebben, vrezen ze bij de centrale bank, ontstaat er in slechte tijden altijd discussie over hoe die pot verdeeld moet worden. Vaak worden in zulke discussies ‘oud’ en ‘jong’ tegenover elkaar gezet.

    Als het niet lukt om de kroonleden mee te krijgen, gaan de bonden en werkgevers zelf – buiten de Sociaal-Economische Raad om – zaken doen met het kabinet, staat in de uitgelekte conceptafspraken tussen VNO-NCW en de FNV. Toch zullen de sociale partners de komende weken hun best doen om overeenstemming te bereiken met de kroonleden. Als de plannen door hen gesteund worden, zal er een veel grotere druk op het kabinet komen om óók in te stemmen.

  5. Wisselgeld voor de bonden

    Koolmees moet niet alleen de persoonlijke potjes opgeven, als het aan de vakbonden ligt. Ze eisen ook een langzamere stijging van de AOW-leeftijd. Dat kost al snel miljarden euro’s. De AOW-leeftijd ligt nu op 66 jaar en hij stijgt, zoals het nu is afgesproken, naar 67 jaar in 2021. Dat moet vier jaar later worden, staat in het conceptakkoord: 2025.

    Daarna stijgt de AOW-leeftijd mee met de gemiddelde levensverwachting. Voor elk jaar dat we langer leven, gaan we een jaar langer werken, staat in de wet. Ook die stijging moet langzamer, vinden vakbonden. Want op deze manier moeten mensen een steeds groter deel van hun leven aan het werk zijn – en een steeds kleiner deel met pensioen.

    Ook willen de bonden dat mensen met zware beroepen eerder met pensioen kunnen gaan. De strenge regels voor vervroegd pensioen moeten voor deze mensen versoepeld worden, staat in het conceptakkoord.

    Een andere wens van de vakbonden, een verplicht pensioen voor zzp’ers, staat niet in het conceptakkoord. Voor de werkgevers is dat onacceptabel. Wel is opgeschreven dat zo’n verplichting binnen sectoren kan worden afgesproken, als daar „draagvlak bij zzp’ers” voor is. In de meeste sectoren is dat er niet.

    Wel wordt het makkelijker voor zzp’ers om zich aan te sluiten bij pensioenfondsen, als het aan de werkgevers en vakbonden ligt.

  6. De keuze is aan Koolmees

    Zodra er een pensioenakkoord is, moet Koolmees erover beslissen. Hij kan nog gaan onderhandelen, maar de sociale partners zullen hem daar weinig ruimte voor geven. Het was voor hen al moeilijk genoeg om er samen uit te komen.

    Koolmees zal moeten bepalen hoe erg het is dat die persoonlijke potjes uit het regeerakkoord er niet gaan komen. Vooral voor zijn eigen D66 is dat een tegenvaller, omdat die partij al heel lang een individueler pensioen wil. Als ook de kroonleden zich tegen dit plan keren, wordt het nóg lastiger.

    Aan de andere kant: het pensioen wordt wel iets individueler dan nu. Bijvoorbeeld door het afschaffen van de doorsneesystematiek. En omdat het meer over de premies en pensioenopbouw van nú zal gaan, in plaats van de toekomstige uitkering. Daardoor wordt het makkelijker voor mensen om van pensioenfonds te veranderen, als zij bijvoorbeeld van baan wisselen. Koolmees zou deze verandering dus kunnen uitleggen als een kleine stap in de goede richting.

    De vraag is ook of het kabinet miljarden euro’s wil besteden aan het langzamer laten stijgen van de AOW-leeftijd. Dat is een hoge prijs voor een nieuw pensioenstelsel, maar het voordeel is: als Koolmees daarna de nieuwe pensioenwetten door het parlement moet zien te krijgen, kan hij zijn voordeel doen met de steun van de vakbonden. Vooral oppositiepartij PvdA is daar gevoelig voor.

    Voor dit verhaal is gesproken met diverse bronnen rond de onderhandelingen.