Recensie

Beheerst proza dat een woelige wereld oproept

Penelope Fitzgerald De Britse grootheid Fitzgerald, wier roman Het begin van de lente nu pas vertaald is, kon heerlijk plagerig schrijven. Een stoethaspel is verlaten door zijn vrouw: Fitzgerald laat hem niet mokken, maar zorgt dat de lente begint.

Een goed auteur vertrouwt zijn lezer. Dat was de overtuiging van de Britse Penelope Fitzgerald (1916-2000), die het zelfs ‘heel beledigend’ noemde als een schrijver zijn vertelling van veel uitleg voorzag. In haar werk, en zeker in het nu pas vertaalde Het begin van de lente (1988), valt dan ook veel te raden, vooral naar de drijfveren van de personages. Het is alsof Fitzgerald je terwijl je leest steeds een zetje geeft, dat maakt dat je volop en gretig aan het gissen slaat. Ze toont een detail, en jij verzint de rest van de wereld erbij. Of ze maakt juist een groots gebaar en zoomt dan in, waarbij ze je ook onherroepelijk meesleept.

Het begin van de lente speelt zich af in Moskou. De hele stad komt tot leven: ‘Lieve, slonzige moeder Moskou. Daas van de klokken van haar viermaal veertig kerken en gehinderd door Grieken, Perzen, verbijsterde dorpelingen en seminaristen die over tramlijnen dwaalden, herbergde ze zonder onderscheid fabrieken, bordelen en gouden koepels.’ Je ziet het voor je, je ruikt de stad zowat.

In Engeland is de nogal excentrieke Fitzgerald, die al bijna zestig was toen ze debuteerde, bekend, en een bron van inspiratie voor uiteenlopende auteurs als Julian Barnes, A.S. Byatt en Kate Atkinson.

Dit is haar vierde boek dat uitkomt in Nederlandse vertaling.

Fitzgerald plaagde graag. De eerste zin van Het begin van de lente luidt: ‘In 1913 kostte de treinreis van Moskou naar Londen, met een overstap in Warschau, veertien pond, zes shilling en drie penny, en duurde tweeënhalve dag.’ Er is iemand die deze reis aanvaardt: Nellie Reid, met haar drie kinderen. Zo, denk je, dit wordt dus de hoofdpersoon en naar Londen voert onze reis. Maar nee: Nellie rijdt direct het verhaal weer uit. Fitzgerald zet je op het verkeerde been.

Uit evenwicht voelt ook de daadwerkelijke hoofdpersoon Frank Reid zich. Weg is zijn vrouw, voort voert zijn leven. Fitzgerald laat hem niet rondbenen of de haren uit zijn hoofd trekken, niet hardop prakkiseren, in tranen uitbarsten of ergens mee gooien. De gedachten die door zijn hoofd tollen worden slechts aangestipt: ‘[Nellie] praatte toch al veel. De laatste tijd misschien wat minder.’

De lezer blijft nieuwsgierig. Was Nellie narrig, verveeld, verliefde ze op een ander? Je blijft ernaar raden, terwijl je intussen Frank volgt met zijn getob in het heden. De kinderen duiken al gauw weer op en behoeven een oppas, zijn drukkerij rolt niet naar behoren, er hangt onrust in de lucht. Een nieuwe lente dient zich aan. Voorzetramen worden verwijderd, luiken gaan open, de lucht ruikt voorzichtig naar bloesem – en het is dus nog 1913 ook.

Frank Reid heeft iets stoethaspeligs. In een briljante scène doet hij er op straat alles aan om de confrontatie met een oude Engelse dame te voorkomen. Die dame ziet ‘er niet alleen uit als een ontslagen gouvernante, het [was] duidelijk dat ze er bij haar geboorte al zo uitzag.’ Dit levert slapstick op, maar onnadrukkelijke slapstick. Later blijkt, ook heel grappig, dat iedereen weet van de kruip-door-sluip-door-route die Frank koos.

Uit het durven overlaten van de inkleuring aan de lezer en het frustreren van zijn verwachtingen, blijkt het meesterschap van de schrijver. Penelope Fitzgerald is een waarachtige oude meester(es), die een hele woelige wereld oproept met haar beheerste proza. Haar werk wordt wel vergeleken met dat van Jane Austen, maar doet in zijn lichtvoetigheid, trefzekerheid en humor eerder aan Tsjechov denken.

    • Judith Eiselin