Recensie

Scully brengt langzaam weer hoop in zijn kleuren

De abstracte schilderijen van Sean Scully volgen zijn persoonlijke levensloop en tragiek, maar zijn sinds kort weer gaan dansen.

Landline Burgundy, een van de kleurige abstracte werken van Scully Foto courtesy kunstenaar/ museum de Pont

Als je een ster in de tentoonstelling aan zou moeten wijzen, dan zou dat het bijna titelloze 6.2.00 kunnen zijn. Zo blanco als de datumaanduiding klinkt, zo vol gevoel is deze aquarel geschilderd. Toch bestaat het uit niets meer dan opeengestapelde rechthoeken, staand en liggend, zwaar en zwevend tegelijk. En grijs zijn ze, zoals het palet van Sean Scully vaak melancholisch getint is. Maar rechts in die compositie plaatste hij een oranje blokje, dat zich losmaakt, iets oplicht. Zelfs dit oranje is wat grijzig, maar er gloort iets. Dat maakt deze aquarel een van de beste illustraties van Scully's vermogen om gevoel in verf te vertalen. Zijn retrospectief in De Pont laat zich lezen als een grote levenslange zoektocht daarnaar.

Extreme Ierse armoede

En omdat het gaat over gevoel, kun je zijn werk niet los zien van zijn levensverhaal. Dat is gekenmerkt door tegenslagen. De Ierse schilder Sean Scully (1945) groeide op in extreme armoede en had een moeizame relatie met zijn ouders, met wie hij uit Dublin naar Londen verhuisde na de zelfdoding van zijn grootvader. Hij vertelde een journalist eens dat hij tot zijn twintigste in bed plaste. Hij werd kunstenaar, trouwde, verhuisde naar New York, werd succesvol, waarop in 1983 zijn oudste zoon stierf. Die dood liet zijn sporen na in zijn schilderkunst. Somberte en tegenwichten, zoals dat oranje blokje in 6.2.00 dat zo hoopvol oplicht.

Misschien kun je het nog het beste omschrijven dat Scully kleur en verf hanteert als een geleide van het een naar het ander, alsof hij iets van zichzelf in verf wil overzetten of wegbrengen, hoe zweverig dat ook moge klinken.

Zware gevoelens in verf

In elk geval hangen er zware gevoelens in De Pont, vooral in de grote grijze doeken van soms wel drie meter breed. En dat terwijl dit uitgebreide retrospectief ook laat zien hoe hij als een jonge hond begon in 1966, kleurvlakken tekenend die een eigen leven leiden. Cirkels dansen rond, regenbogen spatten uiteen. Alles is licht. Dat begon met afkijken bij Van Gogh en Matisse maar werd al gauw een eigen feestje, vlakken die hij verschoof, liet rondzweven, tot ze zich voegen.

Maar meer en meer maakte die speelsheid plaats voor bedachtzaamheid. Indrukwekkend zijn zijn recente dorische schilderijen: monumentale grijze rechthoeken met de plompe verhoudingen van dorische zuilen, die hij stapelt en voegt alsof ze houvast zoeken bij elkaar. Een tweede grote serie Landlines bestaat uit werken met enkel horizontale vlakken. Probeer niet aan Rothko of Newman te denken (al zorgt zo'n advies automatisch voor het tegendeel...) want al lijken de composities erop, zoek hier geen geëxalteerde spirituele betekenis. Zo gek veel betekenis heeft het niet: het is op gevoel geschilderd en dat is het zo’n beetje.

Toch zou het kunnen dat Scully daar wel iets wezenlijks in zocht, vrijheid of zingeving. Al betekent zoeken nog niet dat je ook vindt.

Hervonden speelsheid

Vijftig jaar gingen voorbij en Scully bleef schilderen. Uiteindelijk is het een ander kind dat opnieuw licht brengt in deze tentoonstelling. Acht manshoge schilderijen van de laatste twee jaar tonen eenzelfde compositie waarin nog net een spelend kind herkenbaar is: Scully’s jongere zoontje. Net als als jaren eerder kiest Scully een palet dat doet denken aan Matisse, en bouwt daarmee scènes vol dansende toetsen. Wat hij ook gezocht moge hebben, hier heeft hij gevonden.

    • Sandra Smets