Opinie

    • Georgina Verbaan

Plan

De Prins Hendrikkade in Amsterdam is voor een deel omgeploegd. De zon maakt van de woestenij van zand, zwarte emmers, pijpen, balken en kruiwagens een stadsstrand. Een man – een tengere, oudere man met een jongensachtig gezicht en grijze haren die je op een afstand voor blond kunt houden – bestuurt een geel wagentje op rupsbanden met een grijper. Een bulldozer, misschien, geen idee hoe zo’n bouwwerktuig heet. De grijper grijpt puin, stukjes muur, soms mis, soms met één hap. De man oogt geconcentreerd en gelukkig op zijn rupsbanden, die moeiteloos over obstakels rollen en rakelings langs een krater scheren waarin iets belangrijks en luidruchtigs met riolering gedaan wordt door een spekkige man met een roodverbrande nek. Wat normaal een overspannen verkeerspunt is, is opengemaakt, omgewoeld. Het wordt vernieuwd, daar is over nagedacht. De mannen scheppen orde. Was ik maar de Prins Hendrikkade. Over een paar maanden rijdt de man met het grijpertje misschien in een auto over deze, dan vers geasfalteerde plek. Niet alleen, maar tussen vele anderen. ‘Heb ik gemaakt’ kan hij dan zeggen. ‘Het was een zooitje, maar nu is het goed. Ook in de basis.’

Dat wat te doen is. Dat wat gepland moet. Gerangschikt, in de tijd geplaatst, voor later, straks of nu. Een plan van actie, een to-dolijst. De vergeten komkommer. Er is altijd een vergeten komkommer als je het geraamte van de papieren gevangenis die je gebouwd hebt nog eens bekijkt en inspecteert op onvolkomenheden. De aanwezige afwezigheid. Soms is de komkommer een sterfdag, de ouderbijdrage, of een diep verlangen van het hart waar overheen gekeken is.

‘Of laat eigenlijk maar zitten, het is niet anders, dan maar geen komkommer’

Mij helpt het soms kort om grote zaken met komkommers te vergelijken, ‘even omlopen, moet nog komkommer, of laat eigenlijk maar zitten, het is niet anders, dan maar geen komkommer’, dat zal voor iedereen anders zijn, toch wil ik het niet aanraden.

De mannen rusten uit in wat voor nu hun eigen stadsoase is. Een broodje en een praatje. Op een zonnig eiland, in het centrum, met z’n tweeën. De afgesproken pauze in een plan. De jongensachtige man lijkt te zijn waar hij wil zijn. Toch kan je dat nooit zeker weten. Van de man met de verbrande nek weet ik het zo net nog niet. Hij lijkt over zijn brood heen te kijken naar de volle treinen achter hem, die verse mensen brengen naar de stad en anderen meenemen naar Parijs, Berlijn, de Achterhoek. Was ik maar in de Achterhoek. Was ik maar in Parijs, zonder plan. Ik ben meestal zonder plan. Dan toch liever in Parijs, misschien. Bedroevend dat men een plan nodig heeft om in Parijs te komen. Ik maak me zorgen over de man met de nek. Wat is zijn aanwezige afwezigheid? Wil hij hier weg? Weg van de plek waar anderen niet mogen zitten? Weg van wat voor mij zijn eigen stadsstrand lijkt? Deze plek is voor de ordescheppers, de omgooiers, de structuuraanbrengers. Maar die willen ook weleens een blokje om. Komkommer halen. Was er maar een plan voor alles. Een waterdicht plan dat goed is en ons geluk zal brengen.

    • Georgina Verbaan