Brutalisme: de ‘krankzinnige’ architectuurstroming die een comeback maakt

Brutalisme Een stroom boeken neemt het op voor de met sloop bedreigde betonkolossen, die sinds de jaren zeventig overal in de wereld werden gebouwd.

Auditorium van de Technische Universiteit in Delft, ontworpen door Van den Broek & Bakema, 1966 Foto: Thea van den Heuvel

Monsters zijn het – maar aardige monsters. Liefkozend noemen verschillende van de honderd internationale auteurs van SOS Brutalism de brutalistische gebouwen behe-moths, naar het vreemde monster uit het Bijbelse boek Job. Maar hoezeer ze architectuurliefhebbers nu ook vertederen, veel behemoths zijn hun leven niet meer zeker. ‘Bedreigd’ staat vermeld bij tientallen van de 120 veelal logge, sculpturale gebouwen die de reddingswerkers van het online platform #SOS Brutalism hebben geselecteerd uit hun database van 1100 brutalistische monsters voor hun global survey in boekvorm. De met een zwarte stip aangeduide gebouwen zijn zelfs al van de aardbodem verdwenen.

Dat de betonmonsters een bedreigde diersoort zijn, is ongetwijfeld een van de redenen voor de stroom boeken over brutalistische architectuur die de afgelopen jaren op gang is gekomen. Vaak gaat het om koffietafelboeken, zoals CCCP Cosmic Communist Constructions Photographed uit 2010, vol foto’s van de behemoths die in de nadagen van het communisme in de Sovjet-Unie zijn gebouwd. Ook toen al noemde de Franse fotograaf Frédéric Chaubin de bioscopen, circusgebouwen, kuuroorden en cultuurcentra die het leven in de Sovjet-Unie beter en vrolijker moesten maken, monsters.

Onlangs verscheen Finding Brutalism, met stemmige zwart-witfoto’s die de Britse fotograaf Simon Phipps maakte van betonmonsters in Groot-Brittannië, het land waar het brutalisme uitbundiger bloeide dan waar ook. Betonpoëzie noemt Catherine Ince, conservatrice van het Victoria and Albert Museum, de foto’s van bijvoorbeeld de Barbican Estate en de Hayward Gallery in Londen in haar essay. En inderdaad: vooral als ze slechts delen van de gebouwen laten zien, zijn veel foto’s mooie, bijna abstracte composities. Maar Phipps’ foto’s van de talrijke brutalistische sociale-woningbouwcomplexen in Britse steden bewijzen dat de monsters niet altijd even aardig zijn (of waren) en ook zonder meer monsterlijk kunnen zijn. Zo blijven de inmiddels gesloopte flats van Robin Hood Gardens in Londen uit 1972, ontworpen door het Britse architectenechtpaar Peter (1923-2003) en Alison (1928-1993) Smithson, zelfs als ze mooi gefotografeerd zijn te monotoon, grauw en armetierig om subliem te worden genoemd.

Grimmig en krankzinnig

De grimmige betonflats van Robin Hood Gardens, die ook in SOS Brutalism staan, waren geïnspireerd op de Unité d’Habitation van Le Corbusier (1887-1965) in Marseille, de beroemde woonflat op poten, met op het dak onder meer een atletiekbaan. Dit geheel uit kaal beton opgetrokken cruiseschip uit 1953 wordt algemeen beschouwd als het startschot van het brutalisme. De kale betonnen gevels waarin de afdrukken van de nerven van de houten bekistingsplanken zichtbaar zijn, waren toevallig ontstaan, legde Le Corbusier eens uit. Omdat de aannemers van de Unité knoeiers bleken, besloot hij het ze niet moeilijk te maken en liet hij zijn ontwerp uitvoeren in ‘béton brut’. Et voilà, het brutalisme was geboren.

In het Midden-Oosten en ook in Afrika werd het brutalisme de favoriete stijl van regimes die modern en vooruitstrevend wilden zijn.

Robin Hood Gardens in Londen uit 1972, ontworpen door Peter en Alison Smithson. Foto: Simon Phipps

Maar in SOS Brutalism leggen verschillende auteurs uit dat Le Corbusiers vaak nagevolgde vondst van ‘béton brut’ niet de enige bron van het brutalisme is. Het waren in ieder geval de Smithsons die het begrip brutalism introduceerden toen ze in 1953 uitleg gaven over hun eerste gebouw, een middelbare school in het Engelse stadje Hunstanton. Grappig genoeg is in het eerste gebouw dat brutalistisch werd genoemd, geen spoor van ‘béton brut’ te bekennen. De Smithsons hadden hun school geënt op de minimalistische staal-glas-en-baksteenarchitectuur van de Duitse übermodernist Ludwig Mies van der Rohe (1886-1969). Met brutalist bedoelde het echtpaar dat het de bouwmaterialen ‘just as found’ en op een ‘eerlijke’ en ‘goede’ manier had gebruikt.

Hoe dan ook, vanuit Groot-Brittannië en Frankrijk raakte het brutalisme in de loop der jaren verspreid over de wereld. Omstreeks 1970 was het brutalisme uitgegroeid tot een internationale stijl die van Noorwegen tot Zuid-Afrika en van de Verenigde Staten via Rusland tot Japan tot verbluffende en soms zelfs krankzinnige architectuur heeft geleid, zo laat SOS Brutalism zien. Alleen in de Volksrepubliek China, dat zich in de jaren zestig en zeventig afsloot van de rest van de wereld, kreeg het geen voet aan de grond. Maar in het Midden-Oosten en ook in Afrika werd het brutalisme de favoriete stijl van regimes die modern en vooruitstrevend wilden zijn. Brutalisme stond voor vooruitgang en een nieuw begin. Zo kreeg de Marokkaanse stad Agadir in de jaren zestig een flink aantal brutalistische publieke gebouwen nadat het in 1960 grotendeels was verwoest door een aardbeving.

Walvisgebouw in Delft

In Groot-Brittannië zelf werd het brutalisme de stijl van de verzorgingsstaat die begin jaren zeventig zijn hoogtepunt bereikte. Vooral de architecten van de London City Council, die in de jaren zestig en zeventig niet alleen sociale-woningbouwcomplexen maar ook schoolgebouwen en cultuurcentra ontwierpen, waren veelal overtuigde brutalisten. Op veel waardering van het grote publiek konden hun behemoths overigens niet rekenen: van begin af aan was het bonkige brutalisme een stijl voor fijnproevers.

Met het ‘béton brut’ van Le Corbusier en de ‘less is more’-architectuur van Mies van der Rohe als totaal verschillende bronnen zijn de grenzen van het brutalisme altijd vaag gebleven. Zo zagen de Smithsons hun brutalisme als een voortzetting van het modernisme van Mies van der Rohe, inclusief de ethiek van ‘eerlijkheid’ en ‘goedheid’. Maar vooral Amerikaanse architecten als Paul Rudolph beschouwden hun betonsculpturen juist als een breuk met het saaie-dozenmodernisme à la Mies van der Rohe. Rudolph (1918-1997) heeft zichzelf dan ook nooit een brutalist genoemd, zegt de Franse architectuurhistoricus Jean-Louis Cohen in een interview in SOS Brutalism. Ook Kenzo Tange (1913-2005) en andere Japanse architecten, van wie veel gebouwen in SOS Brutalism zijn opgenomen, zagen zichzelf niet als brutalisten. Hun werk werd bekend onder de noemer ‘metabolisme’.

Klooster Sainte-Marie-de-la-Tourette in Eveux uit 1960, ontworpen door Le Corbusier en Iannis Xenakis. Foto: Fondation Le Corbusier

In Nederland is brutalisme evenmin een gangbaar begrip geworden. Het woord komt dan ook nauwelijks voor in de onlangs verschenen essay- en interviewbundel Jaap Bakema and the open society, hoewel Bakema (1914-1981) toch de ontwerper is van de beste onvervalst brutalistische gebouwen in Nederland: het walvisachtige auditorium van de Technische Universiteit in Delft uit 1966 en het op een oorlogsschip lijkende stadhuis van Terneuzen uit 1972, het enige Nederlandse gebouw dat in SOS Brutalism is opgenomen.

Samen met onder anderen de Smithsons was Bakema lid van Team Ten, een losse groep jonge, Europese architecten die zich in de jaren vijftig keerde tegen het orthodoxe, technocratische modernisme van de CIAM, de internationale vereniging van modernistische architecten. Rode draad in de essays van onder anderen stadssocioloog Arnold Reijndorp en architectuurhistoricus en leider van het Jaap Bakema Study Center Dirk van den Heuvel is de ‘open samenleving’, een begrip dat de filosoof Karl Popper in 1945 introduceerde in zijn boek The Open Society and its Enemies. Zoals het brutalisme in Groot-Brittannië de stijl werd van de verzorgingsstaat, zo verbond Bakema zijn werk aan de ‘open samenleving’ waarvan hij overigens de precieze betekenis nooit duidelijk maakte. Architectuur was voor Bakema meer dan functionalisme: hij streefde naar een architectuur en stedenbouw die de bewoners van allerlei pluimage de gelegenheid gaf zich vrijelijk te ontplooien. Ook moesten ze vorm kunnen geven aan hun eigen leefruimte.

Le Corbusiers megalomanie

Maar, zo merkt Van den Heuvel op in zijn essay Architecture and democracy, in zijn streven om de bewoners letterlijk en figuurlijk de ruimte te geven, stuitte Bakema op de massawoningbouw die in de wederopbouwjaren steeds meer werd geïndustrialiseerd en gestandaardiseerd. ‘Een volmaakt evenwicht tussen universalistische technocratie en individuele vrijheid was moeilijk te handhaven,’ is zijn conclusie.

Dit is zacht uitgedrukt, zo laten de vele ontwerpen voor nieuwe woonwijken zien die in Jaap Bakema and the Open Society zijn opgenomen. Net als veel andere architecten was Bakema in praktijk een heel andere architect dan in theorie. Zoals de Smithsons zich ondanks hun kritiek op het modernisme nooit konden losmaken van het werk van Mies van der Rohe en Le Corbusier, zo bleef Bakema ook in zijn jaren bij Team Ten de ontwerper van stedenbouw in de modernistische traditie. In bijna alle ontwerpen in Jaap Bakema and the open society staan de blokken en stroken keurig in het gelid opgesteld en worden ze omgeven door open ruimte.

Eindhovenaren kwamen massaal in verzet tegen de ‘griezel’.

Stadhuis van Boston van Kallmann e.a., 1969. Foto: iStock

Ook de megalomanie die bijvoorbeeld Le Corbusier als stedenbouwer eigen was, was Bakema niet vreemd. Zo was het belangrijkste onderdeel van zijn ontwerp uit 1967 voor een nieuw stadscentrum van Eindhoven de ‘Ruggegraat’, een vierhonderd meter lange betonnen muur van zo’n tien verdiepingen hoog die met nog hogere torens was verbonden. De gemeenteraad vond het geen bezwaar dat een groot deel van het centrum zou moeten worden afgebroken voor de Ruggegraat en keurde Bakema’s ‘cityplan’ goed. Maar de Eindhovenaren kwamen er massaal tegen in verzet, met steun van de lokale en landelijke pers. ‘Een griezel’, noemde kunstcriticus Lambert Tegenbosch Bakema’s vormgeving van de open samenleving in Eindhoven in de Volkskrant: ‘Het is een gebalde vuist, geen open hand. Het is niet rijk, maar massaal. Bakema had de opdracht voor een hart [...] maar dat er nu iets harteloos in het stadsbeeld komt, is nu juist de reden van het ongewoon sterke verzet tegen het plan.’ Bakema reageerde furieus op de kritiek en deed Tegenbosch’ artikel af als ‘een soort protestgeschrijf’.

Uiteindelijk keurde de Raad van State Bakema’s cityplan na langdurige juridische procedures in 1974 af en ging de monsterlijke Ruggegraat die het grootste brutalistische gebouw van Nederland had moeten worden, aan Eindhoven voorbij.