Het verdwenen Hollands uit de snelkookpan van de slavernij

Taalkunde

Bewoners van de Maagdeneilanden spraken 250 jaar lang een Nederlandse creooltaal, die ontstond uit contact tussen slaven, Zeeuwen en West-Vlamingen. De finesses van dit ‘Dutch Creol’ zijn nu blootgelegd.

Notitieboekje van de Amerikaanse taalonderzoeker Frank Nelson, die ‘Dutch Creol’ op de Maagdeneilanden bestudeerde (1936). Althans dit is de enige kopie die ervan bewaard is gebleven. Het notitieboekje ging verloren, toen Nelson zijn aantekeningen per post verstuurde aan de Nederlandse onderzoeker Cefas van Rossem, op een adres waar die niet meer woonde. De kopie bleef toevallig bewaard doordat Nelson eerder op de achterkant ervan een brief aan Van Rossem had getypt. Fotokopie in bezit van Cefas van Rossem

‘Na die Begin Godt a maak Hemel en Aerde. En Godt a see: die kom Licht. En die a kom Licht. En Godt a kik, datt die Licht a wees mooi.”

Hé, dat lijkt wel Nederlands! „In het begin maakte God hemel en aarde…” Inderdaad, het lijkt op Nederlands, maar het is Creol, een verdwenen taal die op de Maagdeneilanden (Virgin Islands) gesproken werd als contacttaal tussen Europese kolonisten en Afrikaanse slaven.

Het Creol ontstond aan het einde van de zeventiende eeuw uit het verbasterde Nederlands. In 1780 werd de bijbel vertaald in het Creol.

Het begin van Genesis laat zien hoe het Creol helemaal zijn eigen manier heeft om een verleden tijd te maken. Door het woordje ‘a’ voor het werkwoord te zetten, of eigenlijk voor de stam van het werkwoord: ‘a see’, ‘a kom’, ‘a kik’, ‘a wees’. Het Creol doet niet aan uitgangen. En het doet ook niet aan verschillende lidwoorden (de, het). Het heeft genoeg aan ‘die’: ‘die Begin’, ‘die Licht…’

Tweehonderdvijftig jaar lang werd het Creol gesproken op twee kleine Caribische eilanden: St. Thomas en St. John. In de twintigste eeuw verdween de taal weer. Wat ervan overbleef is een enorme hoeveelheid teksten, die in de achttiende en negentiende eeuw door missionarissen geschreven zijn.

Cefas van Rossem promoveerde in december op die teksten. Tijdens de promotieplechtigheid werd hij door een collega die het goed bedoelde aangekondigd als ‘Mister Negerhollands’. De man die álles weet van het ‘Nederhollands’.

Daar was Van Rossem niet zo blij mee. Want Negerhollands is een term uit de negentiende eeuw, die hij liever niet gebruikt. In zijn publicaties heeft hij het liever over Virgin Islands Dutch Creole: de Nederlandse creooltaal van de Maagdeneilanden. Toen de taal nog volop gesproken werd, hadden de sprekers het zelf over ‘Creol-Taal’, ‘Creol-Spraak’ of kortweg ‘Creol’.

De Maagdeneilanden liggen niet ver van Saba en Sint-Maarten. De eilanden zijn nooit van Nederland geweest. Het was een Deense kolonie. Maar de Europeanen die zich daar in de zeventiende eeuw vestigden, kwamen voor het merendeel uit Zeeland en Vlaanderen. Een document uit 1680 vertelt dat er in dat jaar ‘156 Christern’ en ‘175 Neggern’ op het eiland Sint Thomas woonden. Iets meer slaven dan Europeanen. Omdat de meeste kolonisten afkomstig waren uit het gebied tussen Middelburg, Oostende en Brugge, werd de Westvlaams-Zeeuwse variant van het Nederlands de belangrijkste taal op het eiland. Alle andere kolonisten en alle slaven probeerden dus ook dat soort Nederlands te praten. Uit hun gebrekkige Westvlaams-Zeeuws ontstond een nieuwe taal, die een halve eeuw later ook de moedertaal werd van veel kinderen die op het eiland opgroeiden.

Een soort lego

De slavernij was de linguïstische snelkookpan waarin zo snel een nieuwe taal kon ontstaan. Die context moet je goed voor ogen houden, vindt Cefas van Rossem. „Taalkundigen praten over zo’n taal alsof het een soort lego is: je hebt mensen die van huis uit heel verschillende talen spreken, Europese talen, Afrikaanse talen, dat komt bij elkaar, en, knip plak knip plak, kijk eens wat een mooie, nieuwe, bijzondere taal daaruit komt. Je moet je wel realiseren dat het geen eigen keuze van de tot slaaf gemaakten was om daar te zijn en die taal te spreken. Ze móésten die taal spreken, ze werden ertoe gedwongen.”

Hieso rust die Gebeente
van die getraue Dienaar en Friend Jesus
Em ka loop na si Liefde Heere

Vertaling: Hier rusten de beenderen van de trouwe dienaar en vriend van Jezus/ Hij is nu bij zijn geliefde Heer (Grafschrift uit de 18de eeuw)

Als Nederlandstalige ben je geneigd om het een grappig taaltje te vinden, een beetje aandoenlijk en een beetje kinderlijk ook. Dat is de vertekende blik van een Nederlander die gewend is aan het Standaard Nederlands. Het Creol was indertijd een gewone, volwaardige taal.

Dat blijkt ook uit de teksten die zijn overgeleverd. In totaal is er nog voor ongeveer 3500 A4tjes aan tekstmateriaal: zowel gedrukte boekwerkjes als manuscripten, vrijwel allemaal uit de periode van 1739 tot 1833. Niet slecht voor een inmiddels uitgestorven taal die ooit door negenduizend mensen gesproken werd.

Mengsel van Creol, Nederlands en Duits

Vrijwel alle teksten zijn geschreven door missionarissen. Het meeste daarvan wordt bewaard in Duitsland, in het archief van de Evangelische Broedergemeente, hier beter bekend als de Hernhutters. Zij zijn vanaf 1732 op de eilanden actief geweest, met kerken en schooltjes, waar de slaven leerden lezen en schrijven.

Er zit een luchtje aan dat missionarissenmateriaal. De Hernhutters waren zelf geen moedertaalsprekers van het Creol. Wat ze schreven ziet er vaak uit als een merkwaardig mengsel van Creol, Nederlands en Duits.

In het missionarissenmateriaal komen bijvoorbeeld acht verschillende varianten voor van Jezus’ uitspraak „Zalig zijn de armen van geest”. Zoals: „Salig ben die Geestlig Povers”, „Salig ben, die ben aerm van Geest” en „Salig ben, die sender ben aerm na Geest”. Die laatste is waarschijnlijk de meest authentieke. ‘Sender’ betekent ‘zij’ (derde persoon, meervoud), het is van oorsprong een Westvlaams woord.

Van Rossem vertelt hoe hij een paar van die teksten ooit liet zien aan de bekende Nederlandse taalkundige Piet Paardekooper. „Die zei: je moet je hier niet meer bezighouden, dit zijn gekunstelde woord-voor-woord-vertalingen, gemaakt door missionarissen, die hun best deden om het verbasterde Nederlands van de slaven te imiteren.”

Zelf is Van Rossem, na bestudering van al het oude materiaal, tot de conclusie gekomen dat sommige Hernhutters wel degelijk een redelijk goed gevoel hadden voor de taalkundige aspecten van hun missie-werk: „Ze vertaalden graag. Hadden er ook plezier in. Zo is er een oudere man, die in het voorwoord bij zijn vertaling schrijft dat hij er trots op is dat hij nog steeds kan lezen zonder bril, en dat hij nu een ‘Trieb bekommen’ heeft om te gaan vertalen.”

Sommige christelijke teksten zijn in honderd jaar tijd wel zeven of acht keer vertaald. En telkens anders. „Gewoon omdat de vertalingen al snel verouderd waren, want dat Creol was nog volop in ontwikkeling. En ook omdat zo’n vertaling altijd beter kon.”

Soms geeft een vertaler twee mogelijkheden naast elkaar. Bijvoorbeeld: „Mi lo tot / na Jeruzalem” (Ik ga (loop) naar Jeruzalem). Van Rossem: „Ik vergelijk dat met latere teksten en dan zie ik dat het later bijna overal ‘na’ wordt. „Mi lo na Jeruzalem’ zal dus wel het beste Creol zijn.”

Rechtbankverslagen uit koloniale tijd

Sommige manuscripten bevatten veel interessante correcties. Bijvoorbeeld: „Jezus hab 12 discipel” (Jezus heeft twaalf discipelen). ‘Discipel’ is daarin doorgestreept en veranderd in ‘leerling’: „Jezus hab 12 leerling” (Jezus heeft twaalf leerlingen).

„Het bijbelse jargon is hier veranderd in meer toegankelijke taal”, zegt Van Rossem. „Het omgekeerde gebeurt ook. Ergens wordt verteld dat het kindje Jezus in een ‘beest canoe’ lag: een kano voor beesten. Dat is daarna veranderd in ‘kribbe’. Was ‘kribbe’ dan een normaal woord in het Creol? Waarschijnlijk niet. Wat je ziet is dat ze iets soms veranderen om dichter bij de taal van de slaven te komen. En dat ze soms liever wat dichter bij de christelijke traditie blijven. Blijkbaar vonden ze dat de slaven die bijbelse termen óók moesten kennen: apostel, discipel, sacrament, testament, avondmaal… Ook ‘kribbe’ kun je zien als typisch zo’n bijbels woord.”

Als je op die manier naar de teksten kijkt, kun je vaak wel zien waar het te Nederlands of te Duitsachtig is, en waar het waarschijnlijk dichter in de buurt komt van hoe de slaven daadwerkelijk spraken.

Baas! Da mi wief ben da. Em no doe niemetal voor mi. Em no kook pot, em no soek hout, em no gie mi water voor wasch mi hand en mi voet.
Vertaling: Baas! Dit hier is mijn vrouw. Zij doet niets voor mij. Ze kookt geen eten, ze sprokkelt (zoekt) geen hout,
ze geeft me geen water om mijn handen en voeten te wassen.

(Verzonnen dialoogje uit een boek over de grammatica van het Creol uit 1777, waarin slaaf zich beklaagt bij missionaris)

Ondertussen liggen er in de archieven waarschijnlijk nog de nodige flarden Creol te wachten op ontdekking. „De Deense archieven!”, zegt Van Rossem enthousiast. „Daar ligt het goud. Het Deense West-Indische archief is sinds vorig jaar helemaal gedigitaliseerd. Anderhalve kilometer aan koloniaal materiaal. Een heel groot deel daarvan is in het Nederlands. De Denen kunnen dat niet lezen. Dus ik zou zeggen: laten we dat gaan doorzoeken.”

Wat is daar te vinden? „Waarschijnlijk zijn er rechtbankverslagen uit de koloniale tijd, waarin de getuigen letterlijk in het Creol geciteerd worden.” In het verleden zijn er al een paar van die rechtbankcitaatjes gevonden. Minieme flarden authentiek Creol, kleine pareltjes in de ogen van Van Rossem, zoals deze: „Em ka wees hieso gester dunko” (hij is hier gisteravond geweest).

In de twintigste eeuw werd het Creol verdrongen door een lokale variant van het Engels. Rond 1920 zijn er door een Nederlandse antropoloog nog wat verhalen en zinnetjes in het Creol verzameld. De taal had zich inmiddels verder ontwikkeld. Je moet even heel goed kijken om te zien wat „Am a lo ki eke gut” nog te maken heeft met zijn Nederlandse vertaling: Hij keek overal naar.

Rond 1960 waren er een stuk of acht mensen die het Creol nog een klein beetje spraken. Onder hen was Alice Stevens, de laatste spreekster van de taal. Van haar is onder meer deze zin: „Am a rup sji butji fo ko help am fo mata di kui” (Hij riep zijn broer om hem te komen helpen bij het slachten van de koe).

Dit zijn allemaal woorden die uit het Nederlands komen, behalve ‘mata’ (doden) dat van het Spaanse ‘matar’ komt. De letterlijke vertaling is (inclusief het woordje ‘a’ voor de verleden tijd): Hem ‘a’ roep zijn broer voor kom help hem voor dood die koe. Stevens overleed in 1987 op 89-jarige leeftijd – en daarmee werd het Nederlandse Creol van de Maagdeneilanden een dode taal.

    • Berthold van Maris