Recensie

Nog een paar van deze verslavende boeken en Mizee wint de P.C. Hooft-prijs

Nicolien Mizee

Verrukkelijk verslavend is deze bundeling faxen die Mizee ooit naar haar vriend stuurde: lucide ideeën en sterke scènes.

Tekening Paul van der Steen

Twintig jaar geleden was Nicolien Mizee een werkloze dertiger, die gesjeesd was als scenarioschrijver en af en toe een grijpstuiver verdiende met naakt poseren voor amateurschilders, woonde in een Haarlems huisje dat haar vader voor haar had gekocht, worstelde met angsten, depressies en grote afkeren van conventies en autoriteit, op lesbische dansles zat met een vriendin die ze niet haar geliefde noemde, en voldoening uit haar dagen haalde door haar leven en gedachten te boekstaven in uitvoerige brieven die ze per fax verstuurde aan Ger Beukenkamp, scenarioschrijver en Mizees grote inspirator, die de beschreven faxrollen geduldig uit zijn apparaat liet stromen en ze las, maar nooit een faxje terugstuurde.

Inmiddels is Mizee (1965) een schrijver die een volkomen eigen plek in de literatuur heeft verworven, met haar even schrijnende als geestige romans over moeilijke familiebanden en de moeizame verhouding van haar personages tot de wereld, maar wier echte magnum opus nog in wording is, zo is mijn gevoel sinds vorig najaar het eerste deel van de verzamelde faxen aan Ger gepubliceerd werd. Want die faxen, die zijn geweldig. Na het kloeke De kennismaking is er nu een tweede deel van nog eens 450 bladzijden, De porseleinkast, en daarmee beschikken we nu pas over de correspondentie tot halverwege 1998.

Lees ook de recensie van De kennismaking: Een slijpsteen voor haar gevoelens

Als haar uitgeverij nou nog een poosje doorgaat met het publiceren van deze verrukkelijke faxen, kan Mizee denkelijk over een paar jaar de P.C. Hooft-prijs in ontvangst nemen voor een van de meest eigenzinnige en authentieke, diepzinnige en lucide én geestige oeuvres uit de Nederlandse literatuur.

Allerverpletterendste

Liefdesbrieven zou je haar faxen kunnen noemen, maar op een relatie of een affaire is ze niet uit, Mizees liefde is niet conventioneel, zoals heel veel dingen aan Mizee niet conventioneel zijn: ‘Wat is dat nou, ‘echte liefde’? Dat is dat je blij bent dat iemand bestaat. Die moet je dan toch niet meteen willen hébben?’ Haar liefde voor Ger is een zielsverwantschap en bewondering tegelijk – ‘Lieve Ger’, heft ze meestal aan, maar vaak ook ‘Ger van m’n hart’, en de mooiste: ‘Allerverpletterendste’. Ger is een soort God: iemand bij wie Nicolien haar verhaal kwijt kan en door wie ze zich gehoord voelt, die haar ziet, begrijpt en accepteert. Ze neemt de gelegenheid van dat luisterende oor te baat om zich alle grote vragen te stellen die haar bezighouden – vooral over haarzelf en haar verhouding tot de mensen om haar heen. Dat levert onweerstaanbaar proza op.

In De kennismaking maakten ze, ja, kennis, en in De porseleinkast wordt de correspondentie eenvoudigweg voortgezet, ogenschijnlijk zonder selectie of noemenswaardige redactie; des te interessanter is het dat de twee boeken behoorlijk verschillende zwaartepunten hebben. Ging het in het eerste deel over haar ambitie scenario’s te schrijven en allerlei zakelijke ruzies die persoonlijk werden (en wat dat over haar karakter zei), over haar geldzorgen en woonsituatie en haar liefde voor Ger – in deel twee lezen we aanvankelijk vooral veel scènes met veel verschillende mensen: vrienden van nu en vroeger, familieleden. Mizee analyseert losjes wat die mensen allemaal voor haar betekenen, hoe zij haar vormden.

Scènes en ideeën

Vandaar misschien de titel De porseleinkast (die op geen enkel moment in het boek genoemd wordt): heel veel losse delen die samen een geheel vormen, wat ook nog een aardige metafoor is voor een brievenboek. Tegelijk roept het natúúrlijk de associatie op met de olifant die de inhoud van die kast tot scherven komt stampen – waarbij de schrijvende dochter dan de olifant is. Aan het slot van dit deel ontstaat er inderdaad een crisis in de deftige en o zo porseleinen familie, wat een soort roman van dit boek maakt: met een ontwikkeling en een spanningsboog.

Toch is dat verhaal zeker nog niet de enige reden waarom Mizees geschriften zo boeiend zijn: haar faxen zijn ook op de vierkante centimeter verslavend goed geschreven. Nicolien Mizee is als schrijfster misschien nog wel het bekendst om haar geestig-pijnlijke scènes, waarmee haar succesvolle roman Toen kwam moeder met een mes (2003) opzien baarde, en om het komische vernuft waarmee ze anekdotes uit haar leven als schrijfdocent opschreef in NRC-columns, een decennium geleden. Haarscherp zet ze zichzelf en andere mensen en de scènes neer, op licht geaffecteerde toon maar zonder opsmuk (de enige stilistische uitspattingen zijn gedrenkt in gezellige ironie: ‘Ik verzoek je dus dringend tijdens mijn afwezigheid niet ineens te emigreren of dood te gaan – hoed je voor gevaarlijke wurgseks en kijk drie keer uit bij het oversteken.’) en uiterst precies geformuleerd.

Die scherpte van formuleren geldt nog sterker voor de bespiegelingen waarmee ze de scènes afwisselt – en die wat mij betreft de faxen meerwaarde geven boven Mizees fictie, waar de nadruk minder op ideeën lag. Juist in die analyses komt haar grote eigenzinnigheid schitterend aan de oppervlakte: haar onconventionaliteit, die haar veroordeelde tot een levenslange rol als outcast, maar die ons, lezers, veel kan leren over onszelf en onze maatschappij. Mizee stopte als tiener met school, kon geen opleiding afmaken, kon niet voor een baas werken. Het ging niet – en het zette haar op afstand van de goegemeente, terwijl het voor haar onbegrijpelijk was ‘dat men niet gewoon aanneemt dat ik uitstekende redenen voor mijn handelwijze heb, om de eenvoudige reden dat ik anders iets anders zou doen’.

Gevoelige huid

Wat haar keer op keer bevreemdt aan de wereld en in het leven (ook al in de jaren van De kennismaking), is de gewoonheid van de dingen die zij allesbehalve gewoon vindt – omdat alledaagse handelingen voor haar enorme opgaven zijn. Dat beschrijft ze zo glashelder dat het gewone weer ongewoon wordt, ook in onze ‘gewone’ ogen. Hoe bestáát het toch, denk je met haar mee, dat iedereen zich zo gedráágt, dat de ingewikkelde wereld zo geweldig wérkt! Chaos was toch veel logischer geweest? ‘Maar nee hoor, je kwam in een winkel, vroeg naar gelaatscrème voor de gevoelige huid van Lancôme en daar stond het flesje, precies waar het hoorde. Om duizelig van te worden.’

Het zijn ideeën die afwijken van de conventies, die Mizees identiteit als vrije denker bevestigen. Maar eerder dan bevreemding creëert haar dwarsheid nabijheid. Zo waar en zo meeslepend zijn ze, die inkijkjes in haar gedachten, die ideeën over de oervorm van religie en de ‘kern van de zaak’ waarnaar zij altijd op zoek is, die vingers op de zere plekken van het intermenselijk contact. Die zielsverwantschap blijft niet voorbehouden aan Ger: dankzij deze correspondentie, Mizees pen en de machtige kracht van de literatuur kunnen we allemaal een beetje Ger worden, een beetje Nicolien en een beetje God.

    • Thomas de Veen