opinie

    • Michel Krielaars

Bent u het, meneer Hunderman?

In de pauze van Mozarts La Clemenza di Tito keek ik bij het buffet van het operagebouw ineens recht in het gezicht van een keurige oudere heer. ‘Bent u het?’ vroeg ik verbijsterd. ‘En ben jij….?’ vroeg hij op zijn beurt, terwijl zijn ogen pret uitstraalden. Voor mij stond meneer Hunderman, mijn leraar Nederlands van de middelbare school, die ik sinds mijn achttiende niet meer had gezien. Meneer Hunderman was mijn favoriete leraar, die mijn leesgedrag in hoge mate heeft bepaald.

Zijn spijkerpak uit de jaren zeventig had hij ingeruild voor blazer en das. Zijn haar was grijs geworden. Maar verder kwam meneer Hunderman nog net zo informeel over als toen ik bij hem in de klas zat. Hij was toen een Nederlandse versie van John Keating, de leraar Engels uit Dead Poets Society, een film die op geen leeslijst mag ontbreken. Ook meneer Hunderman stond op tafel om een gedicht voor te dragen of scènes uit de Max Havelaar na te spelen.

Zijn favoriete schrijver was Louis Paul Boon. En nu doet zich iets merkwaardigs voor: op mijn eindexamenleeslijst stond niets van Boon. Toch repte meneer Hunderman er tijdens het mondelinge examen met geen woord over. Op mijn beurt schaamde ik me niet voor deze omissie, ook omdat mijn lijst zo’n honderd titels telde. Maar nu, bijna veertig jaar later, vroeg ik me ineens af waarom ik nooit iets van Boon had gelezen.

Het boekje barst van de maatschappijkritiek, zoals op geile vaders die niet van de vriendinnetjes van hun dochter af kunnen blijven.

Thuisgekomen las ik daarom als een soort Wiedergutmachung de onlangs verschenen en van een mooi voorwoord van Ilja Leonard Pfeijffer voorziene heruitgave van Boons Mieke Maaike’s obscene jeugd, een uit 1972 daterende parodie op de pornografische vertelling. En ik moet zeggen dat ik, ondanks de overdosis aan ruige seksavonturen van een twaalfjarig meisje, meneer Hundermans liefde voor Boon begrijp. Want behalve al die vleselijke overdaad, die vaak zo vuig is dat je erom moet schaterlachen, is het satirische element nog vermakelijker. Bovendien barst het boekje van de maatschappijkritiek, zoals op geile vaders die niet van de vriendinnetjes van hun dochters kunnen afblijven of op pastoors, zoals in de passage waarin Mieke Maaike door haar biechtvader wordt lastiggevallen: ‘Ik knielde, de handjes samengevouwen onder me kin, om al biddend het opengesperde mondje van de eerwaarde fluit in te kijken. Me eigen mond hield ik d’r bij geopend, alsof ik hem ook nog ter communie wou.’ En even verderop: ‘Het had me echt een hekel aan pastoors doen krijgen, of je het wilt geloven of niet.’

Het zijn vooral Boons nonchalante, naïeve stijl en de komische, opzettelijk verkeerd gebruikte metaforen die het hem doen, zoals een ‘whisky-sofa’, een ‘schrijver van fonografische romans’, het wegduwen van ‘het monster van Loch Ness’ dat ‘in een zomerbroek de kop opsteekt’, de ‘waterval van Fontainebeau – in het Nederlands Mooifontein’, een ‘generaal-kolonel’ met zijn ‘geil schietende geheime wapen’.

Dat alles verleidde me om Boons onlangs in de Perpetua-reeks heruitgegeven roman De Kapellekensbaan (1953) te kopen. De eerste zin is al veelbelovend: ‘Ge ziet van uit uw open zolderraam hoe het niemandsbos in het rood wordt geverfd door de zakkende zon, en hoort hoe het droefgeestig schaap van mossieu colson van tminnnesterie nog een laatste keer blaat vooraleer het achter de knarsende staldeur verdwijnt…’ Zo serveert meneer Hunderman me alsnog een meesterwerk.

    • Michel Krielaars