Voetbalfans hand in hand met theaterpubliek

Holland Festival Mohamed El Khatib maakt de voorstelling Stadium, waarin hij gepassioneerde fans van voetbalclub Racing Club de Lens laat vertellen over hun leven. „Toen Mohamed vroeg of ik mee wilde werken, dacht ik: rot op man, theater, wat denk je wel niet.”

Stadium, over voetbalclub Racing Club de Lens, van de Franse theatermaker Mohamed El Khatib Fotos Yohanne Lamoulère/ Picturetank

Twintig jaar geleden, in 1998, werd Frankrijk wereldkampioen voetbal. Wat minder mensen zich herinneren is dat datzelfde jaar het nietige Racing Club de Lens Frans landskampioen werd. De club komt uit een van de armste stukjes van Noord-Frankrijk, het land van de ‘Ch’ti’, waar vroeger communisten en nu het Front National van Marine Le Pen bij verkiezingen goede scores halen. De voor veel Fransen vaak onverstaanbare Ch’tis hebben een zekere reputatie.

„Pedofielen, werklozen, inteelt: welkom bij de Ch’tis”, kalkten supporters van het rivaliserende Paris Saint-Germain eens op een spandoek dat op de tribune omhoog ging. De supporters van Lens waren diep beledigd en lieten dat weten ook. Een paar weken later boden de Parijzenaars via een nieuw spandoek hun excuses aan: „Sorry, we wisten niet dat jullie konden lezen”.

Het zijn enkele vrolijke ingrediënten uit de wonderlijke theatervoorstelling Stadiumdie vorig jaar in Frankrijk in première ging en nu op het Holland Festival te zien is. Theatermaker, ex-voetballer en socioloog Mohamed El Khatib (38), die eerder in bourgeoisstad Bourges een voorstelling maakte waarin een schoonmaakster over leven vertelde, heeft voor zijn Stadium slechts vier professionele acteurs ingehuurd. De andere mensen die op het podium over hun onvoorwaardelijke clubliefde vertellen zijn 54 echte supporters van RC Lens, onder wie de 86-jarige oma Yvette Dupuis, die in een in de clubkleuren rood en geel („sang et or”: bloed en goud) gedecoreerd huis woont.

Dat resulteert in een soort antropologisch documentair theater waarbij geacteerde scènes en filmpjes, fictie en werkelijkheid, afgewisseld worden met live door El Khatib afgenomen interviews met supporters. Op het podium staat een typisch Noord-Franse friterie (‘Momo’), zoals die ook op het parkeerterrein van het Stade Bollaert-Delelis in Lens te vinden is. In de pauze – pardon, in de rust – gaat de klep open en kan het theaterpubliek een frietje meeprikken. Aan het eind van de voorstelling die ik in Nantes zag, hosten de voetbalfans tot laat op de avond met het theaterpubliek in polonaise door de foyer van het theater.

„Ik heb geprobeerd om een ontmoeting te organiseren tussen mensen die elkaar in het werkelijke leven niet gauw ontmoeten”, legt El Khatib in een gesprek in Parijs uit. Een ontmoeting, dus, tussen een voetbalpubliek en een theaterpubliek. „Ze lijken meer op elkaar dan ze denken. Het zijn allemaal mensen. Als aan het eind van het stuk Jonathan [van ultragroep Red Tigers], bijgenaamd „de pessimist”, vertelt dat zijn privéleven kapot is door zijn passie voor Lens, dan denk ik dat er in de theaterzaal best bezoekers zijn die zich daarin herkennen. Laat je alle folklore weg, dan zie je dat het mensen zijn met dezelfde dromen en verlangens als het theaterpubliek.”

Maar folklore is er. Het theaterpubliek bekijkt het voetbalpubliek, maar net zo goed inspecteren de Lens-fans of de theatergangers zich in hun Umfeld weten aan te passen. Als aan het begin van de voorstelling een trompetriedeltje klinkt dat in een voetbalstadion normaal gesproken met „olé” beantwoord wordt, dan kunnen ze laten zien wat ze waard zijn. „We wachten altijd de trompetklanken af”, zegt Ludovic Nanziolo (36), voorzitter van Kop Sang et Or (KSO), een groep van „ultra’s”, fanatieke supporters. „Als mensen enthousiast ‘olé’ roepen, dan weten we dat het een goede avond wordt.”

Frietkot

Ik spreek ‘Ludo’ voor het eerst in de pauze op het podium van het theatertje in Nantes. De vetdampen van frietkot Momo vulden de ruimte, het bier vloeide rijkelijk. Middenop het podium stond een monitor waarop beelden te zien waren van de kampioenswedstrijd van 1998. Ik vroeg hem waarom hij daar stond.

„De voorstelling”, zei hij, „vertelt wat echte clubliefde is, wat het betekent als je voetbalclub belangrijker is dan je vrouw.” Maar hij deed vooral mee „om uit te leggen wat het is om ultra te zijn”, zei hij. „Dat ultra’s en hooligans niet hetzelfde zijn, zoals ze in de politiek denken. We gaan niet de stad in om te knokken, maar we steunen onze club door dik en dun. En ja, soms leidt dat tot een beetje geweld, maar dat is niet het doel. Als op een avond vijftien theaterbezoekers een ander beeld van ons krijgen, dan ben ik al tevreden.”

Begin mei zie ik hem opnieuw. Op het parkeerterrein van het Stade Bollaert, waar Lens die avond tegen Auxerre de laatste wedstrijd van weer een mislukt seizoen speelt. Rond een oude Citroën heeft zich een twintigtal leden van KSO verzameld voor de traditionele pré-match barbecue. Indrukwekkende hoeveelheden merguez liggen klaar om geroosterd te worden. Achter een tafeltje bestiert Ludo de geïmproviseerde bar. Onder elkaar lispelen de fans geheimzinnig over een „actie” die ze straks in het stadion gaan uitvoeren. „We gaan iedereen verrassen.”

Nanziolo: „Toen Mohamed voor het eerst belde en vroeg of ik mee wilde werken dacht ik: rot op man, theater, wat denk je wel niet. Maar Jonathan van de Red Tigers had al toegezegd mee te doen. Ik heb Mohamed en zijn team toen ook maar laten komen. Ze stelden vragen over wat het betekent om ultra te zijn en vroegen me auditie te doen.”

Hij is tegelzetter, had nooit eerder op een toneel gestaan. Maar als ‘capo’ (de gangbare naam voor de aanvoerder en dirigent van ultra’s op de voetbaltribune) was plankenvrees zijn laatste zorg. „Ik heb wekelijks duizenden mensen publiek”, zegt hij. „Het bleef een bizar idee, maar de eerste voorstelling in Tours was ik echt onder de indruk. Het was magisch hoe het publiek reageerde. Toen heb ik besloten door te gaan.”

Hij is tevreden over het eindresultaat, maar was blij dat de supporters de vrijheid hadden dingen in het stuk aan te passen. „Soms was het een beetje clichématig, over dat we allemaal arm zijn ofzo.” Ook mocht er voor hem wel iets minder politiek in. „Het moet over voetbal gaan, niet over politiek. Mijn vriend Jonathan, de pessimist, is communist en ik ben extreem-rechts. Maar daar hebben we het dus niet over. Mohamed heeft dat uiteindelijk begrepen. Hij is geweldig, hij respecteert ons.”

„Het is begrijpelijk”, zegt El Khatib, „dat ze wantrouwig waren. Ze dachten dat ik journalist was. Maar ik heb mezelf twee jaar lang ondergedompeld om echt tot ze door te dringen en een zo authentiek mogelijk stuk te krijgen.” Daarmee schiep hij vertrouwen. „Het ging steeds beter, maar op de eerste avond waren er toch nog twee supporters die opeens afhaakten. Toen moesten we snel improviseren.”

Zoals wel meer geïmproviseerd wordt. „Soms zeggen acteurs: stom, ik heb me in de tekst vergist. Maar dat kan natuurlijk niet. Ze spelen zichzelf, dus fouten zijn onmogelijk. Ik wilde een levende documentaire maken en zolang mensen hun eigen taal gebruiken is het goed.”

Aapjes kijken

Dat leidt soms tot een ongemakkelijk gevoel: aapjes kijken. De ene sociale klasse (het theaterpubliek) dat de ander onder de loep neemt. Franse theatergangers in Nantes bewierookten in sociaal-wetenschappelijke bezweringen het „humanisme” van, zoals een van de bezoekers het onhandig formuleerde, „deze eenvoudige mensen”.

„Dat voyeurisme en ongemak interesseert me mateloos”, zegt El Khatib. „Er zijn andere codes in het theater dan in het stadion. Als je gegeneerd bent, dan hoef je natuurlijk niet mee te hossen. Maar ik zie mensen die gelukkig zijn, die een passie delen.” Dat de voorstelling na de laatste scène zo de facto in de hal van de schouwburg doorgaat, stond niet in het script. „Dat is eigen initiatief van de supporters. Ze hebben mijn ideeën beter begrepen dan ik me ooit had kunnen voorstellen.”

Het idee dus om sociale klassen te overbruggen. „Er zijn niet veel plaatsen meer waar verschillende groepen elkaar ontmoeten. Vroeger was dat de school, maar kinderen uit betere milieus zitten tegenwoordig haast allemaal op privé-scholen. Ik probeer een botsing van culturen te creëren.” Anekdotisch: geëmotioneerde theatergangers gaven de hoogbejaarde Yvette Dupuis na een van de voorstellingen een carré (sjaaltje) van luxemerk Hermès cadeau: bij uitstek een statussymbool voor bourgeoisvrouwen. „Ze had geen idee wat ze daarmee moest”, lacht El Khatib.

Terug naar het Stade Bollaert. De wedstrijd tegen Auxerre is nog maar een paar minuten bezig als Ludovics ultra’s hun eerste spandoek ontvouwen. „Eindelijk de laatste wedstrijd”, staat er te lezen. Een tiental mannen keert zich onderaan de tribune met de rug naar het veld en laat de broek zakken. Op alle onderbroeken is een letter te lezen, die samen de tekst „Plein le cul” vormt: „we zijn het strontzat”. Meteen daarna weer een spandoek: „Net als jullie doen we ons ding en gaan we er vandoor”, staat er. De tribune loopt leeg.

Terwijl de wedstrijd nog in volle gang is, tref ik Ludo en zijn mannen weer rond de barbecue op de parkeerplaats. „Ja, clubliefde is onvoorwaardelijk”, zegt hij. „Maar soms moet je een punt maken. Als die gasten op het veld niet voor ons werken, dan werken wij niet voor hen.”

    • Peter Vermaas