Schilders missen veel bliksem-takken

Natuurkunde Bliksemflits op een schilderij? Goede kans dat die veel minder vertakkingen heeft dan in de werkelijkheid, concluderen Hongaarse onderzoekers.

Bliksem geschilderd door Delacroix (1824).

Hoe goed is iets na te schilderen dat zich maar een fractie van een seconde vertoont? Best goed, blijkt uit een analyse van bliksemflitsen op natuurschilderijen. Alleen onderschatten schilders het aantal vertakkingen van de bliksemschicht stelselmatig.

In het tijdschrift Proceedings of the Royal Society Avergeleken Mark Stromp, Gábor Horváth en nog vier natuurkundigen van de Eötvös Lorand-universiteit in Boedapest geschilderde bliksems met gefotografeerde versies.

Het spectaculaire natuurverschijnsel is een elektrische ontlading tussen donderwolk en aarde (of tussen wolken onderling, maar die worden zelden geschilderd en bleven in dit onderzoek buiten beschouwing). Daarbij stroomt opgehoopte elektrische lading door een kanaal van geïoniseerde lucht, die daarbij gemakkelijk 50.000 graden Celsius heet wordt, en met een donderende klap uitzet.

Maar vóór de eigenlijke ontlading zoekt de lading zijn pad door de atmosfeer door zich te vertakken en verschillende kanalen af te tasten. Dat levert de grillige zigzagwendingen en vertakkingen op.

Bliksem geschilderd door Turner (circa 1806-7)

De Hongaarse natuurkundigen schreven software om de vorm te analyseren van vierhonderd gefotografeerde bliksemschichten (afkomstig van weerblogs) en honderd bliksemschichten op schilderijen, ogenschijnlijk willekeurig geplukt 'van het internet' (de precieze adressen zijn alleen te vinden in een offline Hongaarstalige afstudeerscriptie. Wel zijn bekende landschapschilders als William Turner (1775-1851) goed vertegenwoordigd).

De software berekende vervolgens de kronkeligheid van de bliksemschicht, en de omweg die hij neemt vergeleken met een rechte lijn tussen begin- en inslagpunt. Wat die twee maten betreft kwamen gefotografeerde en geschilderde bliksems heel goed overeen.

Maar het aantal vertakkingen in de bliksemschichten bleken schilders stelselmatig te laag in te schatten. Vóór 1800 worden ze sowieso niet geschilderd, en maar tien keer tussen 1800 en 1882, het jaar dat William Jennings voor het eerst een (vertakte) bliksem fotografeerde.

Bliksem gefotografeerd door William N. Jennings Foto George Eastman Museum

En ook daarna lijden geschilderde bliksems aan een ernstig vertakkingstekort: waar de gefotografeerde doorgaans tussen twee en elf vertakkingen hebben, en in één geval zelfs 51, hebben de geschilderde er meestal zo'n twee à vier, en maximaal elf.

Dat komt doordat we de vertakkingen gewoon niet snel genoeg kunnen tellen, denken de Hongaren. Zij lieten proefpersonen kort (maximaal 1 seconde) foto’s van bliksems zien, en vroegen vervolgens hoeveel vertakkingen er te zien waren. Hoe meer vertakkingen, hoe erger de proefpersonen hun aantal onderschatten. Verder dan tien, elf, valt zo snel gewoon niet te tellen.

Toch heeft de opkomst van de bliksemfotografie de schildersblik wel veranderd. Na 1882 neemt het aandeel vertakt geschilderde bliksems sterk toe, met een opvallende eindsprint na 2000, iets dat de auteurs toeschrijven aan de opmars van snelle digitale camera's.

    • Bruno van Wayenburg