Niet komisch, maar komiek

Ewoud Sanders

De ombudsman van deze krant, Sjoerd de Jong, schreef kortgeleden over de stijlgidsen van NRC. Er wordt aan een nieuwe stijlgids gewerkt en De Jong beschreef de geschiedenis van de oudere edities. Die liet hij beginnen in 1988, toen de redactie een klein blauw boekje uitbracht, alleen voor intern gebruik. Dat was het eerste stijlgidsje van NRC Handelsblad, in 1970 ontstaan uit een fusie van het Algemeen Handelsblad en de Nieuwe Rotterdamse Courant. Maar het kende voorgangers, namelijk van de Nieuwe Rotterdamse Courant.

Die krant, opgericht in 1844, bracht rond 1898 een stijlgids uit voor intern gebruik. Voor de tweede druk, van omstreeks 1905, ontstond vraag buiten de redactie. Daarom werd de derde druk in 1935 ook „buiten de gemeenschap der N.R.C.” beschikbaar gesteld, onder de titel Taalkundige en andere wenken voor medewerkers en correspondenten van de Nieuwe Rotterdamsche Courant.

Dit vermakelijke boekje telt slechts 27 pagina’s. In het voorbericht schrijven de anonieme samenstellers dat het hoog nodig is de taal in de krant te zuiveren. Dat geldt niet alleen voor de bijdragen van de redacteuren, maar ook voor de stukken van de „honderden medewerkers”.

Het boekje begint met enkele algemene wenken. Zoals: „Men zegge wat men te zeggen heeft kort en zakelijk, zonder omhaal en kanselarijstijl.” En: „In verslagen vermijde men het voortdurend gebruik van stoplappen als: vervolgens, allereerst, daarna, alsnu, daarop, enz., enz.”

Erg interessant vind ik deze wenk: „Men vermijde Amterdamsch-Hebreeuwsche zinsconstructies als bijvoorbeeld: Ik heb gelezen het boek, dat... in plaats van: Ik heb het boek gelezen, dat ...” Van oudsher waren er in de pers relatief veel joden werkzaam en kennelijk gebruikten zij soms grammaticale constructies die door Rotterdammers als Amsterdams werden ervaren.

Vóór de Tweede Wereldoorlog was de invloed van het Duits op het Nederlands erg groot. Van veel kanten werd hier tegen opgetreden, het sterkst door het Genootschap Onze Taal, in 1931 opgericht door enkele journalisten. Ook de NRC probeerde germanismen te weren. Vandaar: „Men vermijde den uitgang -isch, waar deze Duitsch en niet Nederlandsch is.” Dus niet komisch maar komiek. En niet filmisch, maar „uit het oogpunt van filmtechniek, als film beschouwd”.

Na de algemene wenken volgt een lange lijst met te vermijden woorden, die vooral veel germanismen bevat. De lijst vermeldt onder meer inburgeren. Moest zijn: burgerrecht geven. En onderzeeboot. Moest zijn: duikboot.

Het boekje was succesvol. Eind 1957 verscheen de zevende, herziene druk. Daarin is goed te zien hoe lastig het is om taalveranderingen tegen te houden met regels. Zo schreef de redactie: „Filmisch is een onvermijdelijk en onnederlands woord. Wegens de onvermijdelijkheid is het gebruik toegestaan, maar dan steeds tussen aanhalingstekens.”

En bij onderzeeboot vermeldt het gidsje: „Onderzeeboten en onderzeeërs noeme men bij voorkeur duikboten. De Koninklijke marine doet daar helaas niet aan mee; wel vermijdt zij onderzeeërs, maar zij houdt er onderzeeboten, onderzeebootjagers en een hele onderzeedienst op na. Men houde hiermee rekening: met betrekking tot de Koninklijke marine schrijve men dus maar onderzee-, maar als het om andere onder water varende vaartuigen te doen is, schrijve men: duikboot.” Dezelfde duikboot die door latere edities van de stijlgids juist weer in de ban is gedaan. Bij het lemma onderzeeboot: „Nooit schip noemen. En ook niet: duikboot.” (2000)

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders