Foute vrienden, en tóch eerlijk blijven

Sheila Adjiembaks | criminoloog Niet iedereen die opgroeit in een misdadig milieu wordt ook crimineel. Sommigen vinden een uitweg. Een promovendus bekeek hoe.

Cannabiskwekerij Foto Robert van den Berge

„Gezocht: niet-criminele man/vrouw.” Vijf jaar geleden verspreidde Sheila Adjiembaks die oproep in hogescholen en op sociale media. Ze zocht deelnemers aan haar promotieonderzoek naar jongeren in criminele milieus die zelf niet het criminele pad op zijn gegaan – zogeheten resisters.

Dat ze er woensdag op promoveert, is best bijzonder, want het was niet makkelijk deze mensen te bereiken. „Voor andere criminologen zit de doelgroep in de gevangenis, voor mij was die onzichtbaar”, vertelt ze. En als ze al geschikte mensen vond, wilden die vaak niet meewerken. „Zij dragen een geheim verhaal met zich mee, het voelt voor hen als verraad daarmee naar buiten te treden.”

Hoeveel mensen in Nederland resister zijn is niet bekend. In de criminologie is voor hen weinig aandacht, vertelt Adjiembaks. „Men vindt het niet logisch om een niet-problematische groep te onderzoeken.”

Ze sprak met twintig resisters: mensen met criminele familieleden en met criminele vrienden. Wat betreft soorten criminaliteit is deze groep divers, maar „de rode draad is drugshandel”.

De mensen die ze sprak leven in twee werelden, schrijft Adjiembaks in haar proefschrift. In hun jeugd behoorde criminaliteit tot het leven van alledag. Zo vertelt een van de geïnterviewden hoe de wietplanten van zijn vader werden geknipt: „Stond je voor de deur, dan rook je de walm en was het zo van: oh, het is knipdag.”

Je noemt zes ‘bronnen van veerkracht’ waardoor iemand uit een crimineel milieu een ander pad kan kiezen. Welke is de belangrijkste?

„Er zijn twee bronnen die in elk verhaal naar voren komen: langetermijndoelen hebben en succes en erkenning krijgen. Een van de resisters zei: bij mij in de wijk werd je óf stratenmaker óf crimineel. Omdat hij goed kon leren, werd hij door zijn omgeving gezien als geleerde. Het werd zijn taak, zijn identiteit. De manier waarop anderen naar je kijken, is heel belangrijk voor je identiteit.”

Hoe kom je als kind aan langetermijndoelen?

„Bijvoorbeeld door het hebben van een positief rolmodel. Een Marokkaanse resister vertelde dat zijn hele familie opkeek naar zijn neef, die een bedrijf had. Iedereen zei: als je succesvol wil worden, moet je zijn zoals hij en niet zoals je andere neven.

„Een andere manier om aan zo’n doel te komen, is door een ‘stimulerende derde’, zoals ik het in mijn onderzoek noem. Dat is iemand uit de omgeving die jou helpt met het kiezen van een alternatief levenspad. Dat kan een familielid zijn, maar bijvoorbeeld ook een buurvrouw die meegaat naar een sollicitatie.”

Kunnen docenten ook die rol vervullen?

„Ja, zeker. Een vrouw die ik interviewde, groeide op in een criminele gemeenschap. Haar vriend was drugshandelaar. Op de middelbare school zei de docent tegen haar: jij gaat het maken. Toen werd ze gezien, en dat moest ze dan ook waarmaken, vond ze.”

Je schrijft dat een criminele ouder ook een bron van veerkracht kan zijn. Hoe werkt dat?

„Ja, dat is interessant. Het is een ander inzicht dan wat we meekrijgen uit intergenerationele studies, die kijken naar mensen die crimineel gedrag overnemen van hun ouders.

„Uit mijn onderzoek blijkt dat criminele actoren juist ook als moreel kompas kunnen fungeren. Resisters zien van dichtbij welke nadelen criminaliteit met zich meebrengt.”

Hulpverleners moeten volgens jou een ‘krachtgericht handelingsperspectief’ hanteren. Wat is dat?

„Wijkagenten en jongerenwerkers zijn vooral bezig met het elimineren van risico’s. Maar wat zij zien als een risico kan ook een bron van veerkracht zijn. Daarom zeg ik: vraag de resisters naar wat hun omgeving voor hen betekent.”

    • Floor Rusman