Doordansen na de dood van Pina Bausch

Dans Wat doen dansgezelschappen die hun naam ontlenen aan een choreograaf nadat deze is vertrokken of overleden? Tanztheater Wuppertal, van Pina Bausch, zoekt wel nieuwe samenwerking, maar geen nieuwe meester.

Neues Stück I: Seit Sie..... Een choreografie van Dimitiris Papaioannou Foto Julian Mommert

‘Een last? Nee, het is een val. En ik heb mezelf er vrijwillig in gegooid.” Dimitris Papaioannou (53) draait er niet omheen: het werk dat hij voor Tanztheater Wuppertal maakte, barst van de gelijkenissen met de voorstellingen van Pina Bausch (1942-2009), de vermaarde leidster van het Duitse gezelschap.

Volgend jaar is het tien jaar geleden dat zij plots stierf, twee weken na de diagnose longkanker. Een enorme schok voor de danswereld, vooral voor het gezelschap dat zij bijna veertig jaar leidde en waarmee zij een nieuwe, theatrale dansstijl introduceerde, met dansers die over zichzelf spraken, kinderspelletjes speelden, een sigaret opstaken, waar mannen en vrouwen in avondkleding de strijd der seksen voerden op romantische, vooroorlogse Duitse schlagers. Wat zou het gezelschap gaan doen, welke weg zou het inslaan, zonder de bezielende leiding van Bausch?

De Griek, wiens voorstelling The Great Tamer vorig jaar op het Holland Festival was te zien, is de eerste theatermaker na Bausch die een avondvullende productie maakt voor de verweesde groep. De titel kan niet toepasselijker: Neues Stück I: Seit sie… De puntjes na ‘sinds zij’ mogen gelezen worden als ‘er niet meer is’.

Referenties naar Pina Bausch zijn in het nieuwe werk in verbijsterende mate te zien

Papaioannou wist donders goed waar hij in Wuppertal aan begon. De verwachtingen van het internationale publiek zijn bijna een decennium na Bausch’ overlijden hoog gespannen, net als die van de dansers. Sommigen werkten bijna veertig jaar met de keizerin van het Tanztheater. Iedere beweging, elk beeld zou op een goudschaaltje worden gewogen. „Níemand gaat onbevooroordeeld naar deze voorstelling kijken.”

De uitdaging was iets over te brengen van zijn dankbaarheid voor het werk en de menselijkheid van Bausch, die hij zijn leven lang heeft gevolgd. En hij wilde haar gezelschap, „dit welbekende circus”, laten schitteren.

In die zin moeten de referenties en citaten in Seit sie… worden opgevat. Voor de Bausch-watchers zijn die in verbijsterende mate aanwezig, van fladderende avondjurken en kirrende damesgilletjes tijdens speelse ontmoetingen van mannen en vrouwen, en caféstoelen (Papaioannou: „Maar ik kan tenminste zeggen dat het de originele Café Müller-stoelen zijn!”). Voor wie het zo wil zien, is de tafel met lamp, die bij aanvang achter op het toneel staat, De Tafel van waarachter Die Pina de repetities leidde.

Ook het reidansje ontbreekt niet. Dat hier overigens even Grieks (de sirtaki) als Bauschiaans is. Er zijn meer elementen die de handtekening dragen van Papaioannou, wiens achtergrond als beeldend kunstenaar herkenbaar is in het trage, soms plaatjesboekachtige karakter van de scènes. De nadruk op strakke vormen en trage timing is verwant aan de stijl van de Amerikaan Robert Wilson. Ook de referenties naar de Griekse mythologie en kunst redden zijn Tanztheater van regelrecht epigonendom, al is dat woord na de première wel gevallen in de Duitse pers.

Museum

Een dergelijke stijlgetrouwe hommage (Papaioannou noemt het een liefdesbrief) is één keer mooi en gepast, maar wordt dat de lijn van Tanztheater Wuppertal? De laatste negen jaar functioneerde het al hoofdzakelijk als museum. Met veel succes overigens – de groep tourde over de hele wereld.

De Roemeense Adolphe Binder (48) is sinds 2017 intendant en artistiek directeur van Tanztheater Wuppertal. Onder haar leiding moet een nieuwe weg worden gevonden. Eerder leidde zij transitieprocessen in Berlijn (Komsiche Oper) en Göteborg (Operaballet). Ze weet hoeveel diplomatie, geduld en tact nodig is. Ook is ze bekend met de voorbeelden van diverse gezelschappen die in het recente verleden hebben geworsteld, of nog worstelen, met dezelfde existentiële vraag: hoe nu verder?

De meest radicale keuze maakte de Amerikaan Merce Cunningham. Vernieuwingsgezind tot het einde verordonneerde de ‘vader van de postmoderne dans’ dat het naar hem genoemde gezelschap na zijn dood alleen nog een tweejarige, mondiale afscheidstournee zou houden. Na de laatste voorstelling in New York moest de groep worden opgeheven. En zo geschiedde, twee jaar na Cunninghams dood in 2009. Geen museum, maar een grondig en gedigitaliseerd archief kwam er voor zijn oeuvre. Gezelschappen met interesse in een choreografie kunnen aankloppen bij de Merce Cunningham Trust.

Het vertrek van de immens invloedrijke William Forsythe leidde eveneens tot een radicale breuk. De Forsythe Company werd in 2015 omgedoopt tot Dresden Frankfurt Dance Company, en voert nog nauwelijks werk van de Amerikaanse uitvinder van het dansdeconstructivisme uit. Forsythe werkt nu internationaal als freelance choreograaf, docent en lector. Zijn werk wordt door een select aantal gezelschappen uitgevoerd.

Veilige oplossing

Bausch heeft voor haar overlijden geen enkele instructie achtergelaten over de te volgen koers van het gezelschap, aldus Binder. Alle keuzes lagen open. Maar rigoureus omschakelen naar een andere stijl was uitgesloten. „De mensen hier zijn door doortrokken van de geest van haar werk”, stelt ze. „Het is een deel van hun leven, dat is kwetsbaar.”

Binder is bovendien trots op de samenstelling van de groep, die drie generaties bestrijkt. Dat heeft consequenties voor de mogelijkheden. „Hyperfysieke dans kunnen wij niet maken. Het ligt dus voor de hand een meer stapsgewijze ontwikkeling te kiezen, een nieuw fundament te leggen, en daarop verder te bouwen.”

Dat lijkt een veilige oplossing, maar zelfs groepen die niet de naam dragen van een choreograaf maar daar wel synoniem aan zijn, hebben soms veel tijd nodig om een nieuwe koers na het vertrek van de artistiek leider. Het Nederlands Dans Theater bijvoorbeeld. Pas nu, bijna twintig jaar na het terugtreden van Jirí Kylián, begint het af te komen van de bijnaam ‘The Kylián Company’. Niet in de laatste plaats dankzij het moratorium dat Kylián zelf in 2015 instelde. Drie jaar lang mocht NDT zijn werk niet uitvoeren, bepaalde hij, opdat een nieuw artistiek profiel zou kunnen ontstaan. Momenteel domineren de choreografieën van de huidige leider Paul Lightfoot en zijn artistieke partner Sol León de seizoensprogrammering, aangevuld met werk van (vaste) gastchoreografen. Maar het wegvallen van Kyliáns hoogwaardige ‘familiezilver’ wordt door velen nog steeds als gemis ervaren.

In de geest van

Bij Tanztheater Wuppertal zal het oeuvre van Pina Bausch de kern van het repertoire blijven, stelt Binder. Wel wordt gezocht naar nieuwe samenwerkingen. „Met makers die met déze groep mensen en in déze geest werk willen maken. Die geen probleem hebben met leeftijd, met thematisch werken en met de beperkte repetitietijd die wij kunnen bieden.”

In de danswereld is de optie ‘voortzetten in de geest van’ geen unicum, maar het meest vergelijkbare voorbeeld is niet heel gelukkig: de Martha Graham Dance Company. Na Grahams dood in 1991 raakte dat gezelschap verwikkeld in een verbeten strijd om de rechten van het werk van de Amerikaanse modern dance mastodonte. Met alle nadelige gevolgen voor continuïteit en uitvoeringsniveau. Maar ook nu de groep weer is opgekrabbeld en regelmatig nieuwe werk presenteert, is de groep toch vooral interessant als Grahammuseum. De nieuwe choreografieën steken artistiek schril en zwakjes af tegen het krachtige, zij het ietwat prehistorisch ogende werk van Graham, zoals onlangs nog bleek tijdens het Holland Dance Festival.

„Wij hopen dat het publiek en programmeurs ons tijd en ruimte willen gunnen voor onze transitie”, zegt Binder. De eerste stap is met Papaioannou gezet, en vorig weekend ging al Neues Stück II in première: een hypertheatrale voorstelling van Bauschiaanse lengte (drie uur), van de Noor Alan Lucien Øyen.

Wat de blijvende zeggingskracht van het werk van Bausch betreft, maakt zij zich geen zorgen. Onlangs nog, in een stad in het zuiden van Taiwan waar men nog nooit werk van de Duitse had gezien, bleek hoezeer mensen waren geraakt. „Ik zeg niet dat dans universeel is”, stelt een trotse Binder, „maar er zit iets in dit werk wat in alle mensen resoneert, of het nu in Samoa of Zweden is. We bereiken nog steeds nieuw publiek met het werk van Pina Bausch. Wij zoeken geen nieuwe meester.”

    • Francine van der Wiel