Volgeboekt

Anne Hermans schrijft een column gebaseerd op haar ervaringen als huisarts in Nieuw-Zeeland.

‘Maar mam.” Mijn dochter wijst naar de doos in mijn handen. „Dat is niet mijn lunchbox, maar de kaasdoos!”

Ik kijk gegeneerd om me heen. Ziet een van de kleuterleidsters wat er gebeurt? „Silly mum!”, lach ik en geef mijn dochter een knuffel. „Ik breng je lunch zo hoor!”

Verward sta ik buiten. Over tien minuten begint mijn spreekuur. Heen en weer naar huis kost minstens een half uur. Laat ik mijn patiënten wachten of mijn dochter honger lijden? Ik kies voor de middenweg en race naar de bakker voor een paar croissantjes. Als ik te laat de praktijk binnenren, zie ik de eerste patiënte al geërgerd in de wachtkamer zitten. Uitgerekend een patiënte van mijn collega O.

Het verschil tussen O. en mij zie je het best aan onze regenjas. O.’s jas hangt standaard aan een hangertje in zijn auto. Als mijn regenjas zich al in de auto bevindt, dan is het op de grond, bedekt met een laag beschimmelde broodkorsten en halfvergane appelklokhuizen.

Om geen tijd te verliezen roep ik de patiënte al binnen, terwijl mijn computer nog opstart. Het consult loopt volledig mis, doordat ik tegelijkertijd probeer naar haar te luisteren, op de computer in te loggen en me te herinneren of ik de kraan wel heb uitgezet toen ik vanochtend een volgepoepte onderbroek in de week zette. Ik moet haar drie keer hetzelfde vragen en als ze de deur uit is, zie ik haar recept nog in de printer liggen. Ik ren achter haar aan en haal haar, net voordat ze haar auto in stapt, in.

Terwijl ik hijgend terugloop, besluit ik: dit wil ik niet meer. Ik wil zijn zoals O. Hij is altijd een uur van tevoren op de praktijk en vergeet nooit iets. Hij doet zijn consulten gestructureerd en gefocust. Na zijn spreekuur blijft hij nog twee uur om perfecte verwijzingen te maken en zelf zijn patiënten te bellen over alle bloeduitslagen. ’s Avonds leest hij wetenschappelijke artikelen die hij te pas en te onpas kan citeren. Alle patiënten houden van O. Hij is altijd volgeboekt en bij sommige patiënten staat zelfs een waarschuwing ‘prefers to see O.’ in grote rode letters, zodra je hun dossier opent.

Ik word zoals O., zeg ik vastbesloten. Einde aan de chaos en het falen. Ik wil een au pair en een huishoudster. Netflix de deur uit. Nooit meer mountainbiken in het weekend.

Het is al tien over zes als ik mijn laatste patiënte binnenroep. Ze is 79, speelt nog steeds tennis, maar heeft steeds meer last van artrose. „Schat”, zegt ze stralend, „die injectie van jou in mijn knie werkt geweldig!” Ze zet een gigantische kaars voor me neer. „Die maak ik zelf, van bijenwas. Ik wilde je iets bijzonders geven, want ik weet níét hoe je het doet: je luistert goed, bent kundig, maar daarnaast ontspannen en nooit gehaast. En je moet het toch ontzettend druk hebben met je gezin en werk?”

    • Anne Hermans