Een geval #MeToo of toch niet?

De rubriek economie & recht belicht elke woensdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week arbeidsrecht.

Foto Istock

Hij werkte bijna veertig jaar voor hetzelfde bedrijf, toen het op de kerstborrel eind 2017 misging. Met een drankje op viel hij een vrouwelijke collega lastig door kwetsende en kleinerende opmerkingen te maken. Ook betastte de man de vrouw meerdere keren ongevraagd en tegen haar zin. Collega’s sprongen tijdens de borrel in de bres en na tussenkomst van een teamleider werd de man naar huis gestuurd. Acht dagen later, na intern onderzoek en gesprekken met betrokkenen en getuigen, werd de 58-jarige man op staande voet ontslagen. Volgens zijn werkgever past het ontslag „in de context van de huidige #MeToo-discussie”. Maar de man liet het er niet bij zitten en stapte naar de rechter.

Aangezien de man niet betwist dat tussen hem en de vrouwelijke collega sprake was van „een incident”, buigt de kantonrechter zich met name over de vraag of het ontslag op staande voet proportioneel was.

Hoewel voldoende is komen vast te staan dat het handelen van de man „onaanvaardbaar is en hem is toe te rekenen” , is niet gebleken van eerdere overtredingen dan wel ongewenst gedrag. En dus hebben de handelingen van de man het karakter van een incident, stelt de rechter vast.

Bovendien stelt de rechter, zijn de persoonlijke omstandigheden van de man, zijn goede staat van dienst en de verstrekkende (financiële) gevolgen van een ontslag op staande voet in onvoldoende mate meegewogen door de werkgever. Er stonden de werkgever ook andere sanctiemogelijkheden ter beschikking, stelt de rechter. Ook het argument dat er –inmiddels- een verstoorde werkrelatie is, veegt de rechter van tafel wegens te weinig onderbouwing en bewijs. Het ontslag op staande voet is onterecht.

Uitspraak: ECLI:NL:RBAMS:2018:3327

    • Anne van der Schoot