Opinie

De minister hoeft zich alleen aan de wet te houden

Welk probleem wil minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, D66) eigenlijk oplossen met de brief over ‘internationalisering’ die zij maandag aan de Tweede Kamer stuurde? Die vraag dringt zich op omdat het de minister aan focus lijkt te ontbreken in haar schrijven.

De kwestie die aan de orde is, draait om de vermeerdering van het aantal universitaire studierichtingen die in het Engels worden gedoceerd. Dat is het gevolg van het feit dat universiteiten – op zoek naar fondsen – sinds een aantal jaren een van hun hoofdtaken, het geven van excellent onderwijs, hebben geherdefinieerd. Hoger onderwijs is een internationale markt met buitenlandse studenten als handelswaar. De gevolgen zijn bekend: in het streven die studenten in het buitenland te werven, al was het maar om de ‘schaalgrootte’ in stand te houden, wordt een toenemend aantal studierichtingen verzorgd in het Engels. Door docenten die die taal onvoldoende machtig zijn. Dat heeft negatieve gevolgen voor de overwegend Nederlandstalige studenten die al dat academische steenkolen-Engels weer moeten terugvertalen naar het Nederlands. 74 procent van de Nederlandse masteropleidingen wordt inmiddels in het Engels gegeven, zo blijkt uit de brief van Van Engelshoven. Behalve dat dit mogelijk strijdig is met de Wet op het hoger onderwijs, die bepaalt dat de voertaal aan de universiteiten Nederlands is, is hier het evenwicht zoek.

Maar de minister concentreert zich niet op deze hoofdzaak: ze verbreedt het thema van haar brief naar „mijn visie op internationalisering in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en hoger onderwijs (ho)”. Dus gaat het ineens ook over het mbo en over die veel bredere kwestie van internationalisering. In plaats van zich te concentreren op de taalkwestie maakt de minister het probleem groter en ingewikkelder. Dit is in Den Haag een bekende methode om maatregelen voor zich uit te schuiven.

De kritiek van studentenvakbond LSVb, die vreesde dat de instroom van grote groepen internationale studenten weleens negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor de toegang voor Nederlandse studenten, wordt weggewuifd. Het loopt niet zo’n vaart. En de vereniging Beter Onderwijs Nederland, die in kort geding tegen de universiteiten van Twente en Maastricht en de Onderwijsinspectie stelt dat zij in het Engels doceren zonder geldige reden, krijgt van Van Engelshoven half gelijk. Ze vindt dat het niet zo moet, maar tegelijkertijd wil de minister dus de Wet op het hoger onderwijs versoepelen. In naam van de internationalisering.

Maar niemand twijfelt eraan dat universiteiten en hogescholen functioneren in een internationale context. En voorstanders van provincialisme in de wetenschap behoren tot een zeldzame soort. Internationalisering staat dan ook niet ter discussie. Het gaat om Engelstalig hoger onderwijs zonder geldige reden.

Zelfs de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU), die het grotendeels met Van Engelshoven eens is, waarschuwt terecht voor enorme bureaucratie die voortvloeit uit haar voornemen om meer vrijheid te koppelen aan meer toezicht. Dat is ingewikkeld doen terwijl het makkelijk kan. Het begint gewoon met het handhaven van de Wet op het hoger onderwijs. En van Nederlands als voertaal aan de academie.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.