Wat is een leerling zonder goede leraar?

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: over het koesteren van fragiel talent, wiskunde en getalsverwarring.

Oslo in mei is de geur van seringen, de contouren van fjorden in de verte, een trage rust die me herinnert aan vroeger, toen ik vanuit het klaslokaal de boeren de aarde zag omploegen. Tijdens een kleine ceremonie in het stadspark legt wiskundige Robert Langlands een bloemenkrans onder het standbeeld voor het negentiende-eeuwse genie Niels Hendrik Abel. Drie meisjes smijten hun stepjes op de grond en komen erbij staan. Abel, ja, daar hebben ze op school van gehoord.

We begeleiden deze week de tachtigjarige, fragiele Langlands, die de Abelprijs heeft gewonnen. Die prijs wordt elk jaar door de regering aan een verdienstelijk wiskundige uitgereikt. Abels levensverhaal is van een tragische schoonheid.

In 1802 werd hij drie maanden te vroeg geboren in een disfunctioneel gezin. Al jong had hij interesse in wiskunde. Helaas had hij een wiskundeleraar die een medeleerling zo sloeg, dat die aan zijn verwondingen overleed. Gelukkig trof hij het later wel met zijn leraar Bernt Michael Holmboe. Die leerde hem alles wat hij wist en stimuleerde hem te gaan studeren.

Dat studeren was bijna misgegaan, toen zijn vader overleed en zijn oudere broer zwaar depressief werd, zodat Niels op zijn achttiende verantwoordelijk werd voor het gezinsinkomen. Gelukkig hielp Holmboe hem door her en der geld los te peuteren.

Ondanks alle ellende had hij grote inzichten, maar omdat hij die in het Noors opschreef, en om papier te besparen zo compact mogelijk, kende niemand zijn werk. Toen hij een belangrijke ontdekking deed, besloot hij zijn manuscript persoonlijk af te leveren bij de Academie van Wetenschappen in Parijs. Maar het belandde ergens op een stapel. Abel hoorde niks. Ontgoocheld stierf hij aan tuberculose, 26 jaar oud. De dag na zijn overlijden arriveerde een brief waarin hem een baan werd aangeboden. Pas jaren later werd het manuscript gevonden en kreeg hij eindelijk erkenning.

Langlands vertelt in zijn aanvaardingstoespraak hoe het hemzelf verging. Als hij wiskundige wilde worden, vertelde een leraar hem, dan moest hij Russisch, Frans en Duits leren schrijven en spreken. Dat deed hij dan ook. Hij spreekt al die talen vloeiend. Gelukkig kreeg hij later ook een leraar die hem met de wiskunde hielp en hem overreedde naar de universiteit te gaan. Dat leek onbereikbaar voor deze timmermanszoon, die zijn vader tussen zijn huiswerk door hielp.

Mijn gedachten dwalen af naar mijn schooltijd. Ik leerde getallen te schrijven zoals je die uitspreekt. Nog altijd schrijf ik bijvoorbeeld ‘124’ zo: eerst de 1, dan de 4, dan de 2. Het is mijn lot dat ik omgeven ben door wiskundigen die dat graag belachelijk maken. De bedenkelijk methode leidde bij mij tot permanente getalsverwarring. Wat overigens niet de reden is dat ik geen wiskundige ben geworden.

Ter ere van Bernt Michael Holmboe is een prijs in het leven geroepen voor een stimulerende docent. Want wat is een leerling zonder een goede leraar? Bij de bedwelmende geur van seringen brengen we een toost uit. Op de fragiliteit van talent. En op leraren die het vuur van hun leerlingen weten aan te wakkeren.

Reacties naar pdejong@ias.edu
    • Pia de Jong