De ruzie die met messteken eindigde

Wie: Wendy en Mitchell

Kwestie: wederzijdse poging tot toebrengen zwaar lichamelijk letsel

Waar: rechtbank Lelystad

Wanneer ben je als vrouw in je eenkamerwoning voldoende bedreigd door een huisgenoot om naar een mes te mogen grijpen? En als hij dan je kamer binnenstapt, mag je dat mes dan gebruiken?

De rechtbank Lelystad heeft een middag uitgetrokken om een ruzie uit januari tussen twee kamerbewoners te ontrafelen. Hoofdpersonen zijn Wendy (36) en Mitchell (32). Aanleiding was gedoe over kwijtgeraakte pakjes en huissleutels. Wendy dacht dat Mitchell daar een kwalijke rol in speelde. Ze verklaart dat er al een poosje „treiterijen” waren in huis en veel geluidsoverlast. Voor haar werk moest ze om 4.30 uur op, en om dan om 0.30 uur te worden gestoord...

Een andere huisgenoot, de vriendin van Mitchell, vertelde de politie dat Wendy zich snel aangevallen voelt, een „schreeuwende manier van praten” heeft en een kort lontje. „Nee, zo ben ik helemaal niet”, zegt ze op de zitting. Ze was die middag in doodsangst geweest. Ze pakte het mes om Mitchell te bedreigen, uit haar kamer te jagen en om hem „minder sterk te maken”.

Wendy spreekt zacht, met horten en stoten. Ze wordt met glaasjes water en tissues door de zitting geholpen. Na afloop stort ze zich snikkend in de armen van haar moeder.

Eerder op de dag van de ruzie had Wendy bij Mitchell aangeklopt om te vragen naar een pakketje. „Hij begon toen gelijk agressief te schreeuwen”, en smeet de deur dicht, met Wendy’s voet er eerst nog tussen. Daarop was zij gaan klagen bij de huisbaas. Toen ze elkaar later weer troffen, nu in de gemeenschappelijke keuken, zou Mitchell hebben geschreeuwd dat ze „nooit meer” op zijn kamer mocht komen.

Wendy was de trap op gerend, met Mitchell achter haar aan. Volgens hem hield zij met haar handen haar oren dicht en riep hard „la, la, la, la, la”. Daarna gooide ze haar kamerdeur dicht.

Toen ging het fout. Mitchell duwde haar deur open, posteerde zich op de drempel en zei: „Ik zorg ervoor dat jij nooit meer in m’n kamer komt.” Daaruit trok Wendy de conclusie dat hij haar ging vermoorden. Dat leidde ze af uit zijn houding en de blik in z’n ogen, „Hij kwam heel agressief over.” En: „Hij had me van alles kunnen aandoen.”

Ze deed daarop twee stappen achteruit naar haar hobbykast, waar een oranje keramisch keukenmes lag van ongeveer 30 centimeter. Ze stapte ermee in zijn richting. „Maar hij was totaal niet onder de indruk.” Ze wilde hem vooral bedreigen, legt ze uit. Dat ze Mitchell vervolgens stak, in diens linkerschouder, kwam doordat hij in haar richting stapte, zegt ze.

Ze schrok van het gemak waarmee het mes in Mitchell terechtkwam – „en ik gaf geen kracht”. Uit het letselrapport bleek later dat de wond 3 centimeter lang was en 2 millimeter breed. Zelf zegt Mitchell dat Wendy hem vrijwel onmiddellijk stak, nog in de deuropening.

Dan ontstaat een worstelpartij. Mitchell probeert het mes af te pakken. Hij duwt haar tegen de grond en eindigt boven op haar. Daarbij houdt hij de handgreep van het mes vast en zij het lemmet. Als hij het mes lostrekt, snijdt hij daarmee de pezen in haar hand door. Dan staat Mitchell op en gaat naar beneden, met het mes. Daar zegt hij volgens zijn vriendin: „Ik ben gestoken!” en maakt rechtsomkeert.

Met het mes in de hand komt hij op haar af. Wendy zit dan, bloedend uit haar hand, op het bed en zegt: „Geef me mijn mes terug.” Dan snijdt hij met het mes haar jurk open en probeert haar te steken. Zij weert af – het lemmet verdwijnt in de matras, maar de tweede keer drijft hij het mes diep haar linkerbeen in. Ze bloedt hevig.

In de rechtszaal ontstaat een debat over de vraag of Wendy handelde uit noodweer toen ze het mes pakte. Was haar leven toen echt bedreigd? De officier vindt dat er niets voorviel dat het „trekken van zo’n groot mes” rechtvaardigde. Mitchell deed niets waaruit bleek „dat hij haar fysiek wilde aantasten”. Van een „volwassen vrouw” mag worden verwacht dat ze in zo’n situatie het verschil tussen „echt of niet echt” kan maken.

Dat Mitchell op haar afliep, is nog geen aanval, vindt de officier. Een ruzie betekent nog niet: „Ik ga je doden.” En dan: steken met een groot mes, „geschikt om te doden”. Ze had ook kunnen schreeuwen, zegt de officier. Er waren geen omstandigheden waardoor zij „mocht denken” dat ze werd aangevallen.

De advocaat is het daar niet mee eens. Wendy kon geen kant op, er was geen andere uitgang dan die waar Mitchell in stond. Er ging van hem voldoende fysieke dreiging uit om zich daar tegen te mogen verweren. Bovendien was ze zo emotioneel door de dreiging, dat ze geen redelijke afweging meer kon maken.

De officier vindt dat Mitchell nooit Wendy’s kamer had mogen betreden – dat is een „schending van haar huisrecht”. Hij had haar ook zeker niet in haar been mogen „terugsteken”. Maar in Wendy ziet ze iemand die „conflicten zoekt”, waarbij ze opmerkt dat de „timide” persoon die „bibberig en aangedaan” op de zitting is, daarmee contrasteert.

De reclassering denkt niet dat Wendy dit nog eens zal doen. Ze leidt een stabiel leven en heeft geen strafblad. Na het incident heeft ze wel veel angstklachten, maar het kan zijn dat ze die overdrijft. Mogelijk zou emotieregulatietherapie kunnen helpen, waardoor haar ‘copingvaardigheden’ in ‘complexe situaties’ kunnen verbeteren. Wendy zegt dat ze daarvoor openstaat als de rechtbank dat nodig vindt, maar juist gewend is om van agressie weg te lopen. En dat ze conflictsituaties goed kan hanteren.

Beiden zaten na het conflict in hechtenis. Wendy kwam na elf dagen vrij, Mitchell na een paar weken. De officier zegt dat bij dit type misdrijf vijf maanden cel het uitgangspunt is, maar dat bij Wendy, gezien haar ernstige verwondingen en blanco strafblad, een werkstraf van 180 uur en een proeftijd van twee jaar voldoende is.

De rechtbank veroordeelt twee weken later het tweetal tot dezelfde straf, conform de eis van de officier. Twee weken cel voorwaardelijk, 180 uur taakstraf en een contactverbod, wegens poging tot zware mishandeling. Bij geen van beiden vindt de rechtbank handelen uit noodweer aannemelijk.

Wendy werd niet daadwerkelijk aangevallen. Er was geen fysieke dreiging. Zij pakte het mes achterin de kamer en liep er zelf mee naar de andere persoon, die ze ook stak om hem „minder sterk” te maken. Zij kan zich wel bedreigd of „zelfs onveilig” hebben gevoeld door zijn plotselinge verschijnen. Maar die situatie was niet zó bedreigend dat ze daardoor verontschuldigbaar te ver kon gaan. Wendy heeft niet „met recht kunnen menen zich te moeten verdedigen”.

Over Mitchell oordeelt de rechtbank dat hij, nadat hij haar kamer had verlaten, weg had kunnen en moeten blijven. Hij keerde echter terug en koos beredeneerd de aanval, uit wraak. Er was bij hem toen geen sprake van zelfverdediging of noodweer.

    • Folkert Jensma