Musealisering is een doodstraf

Grunberg in het Stedelijk #27 (slot)

De hele maand mei ‘woonde’ en werkte Arnon Grunberg in het Stedelijk Museum Amsterdam. Dit is de slotaflevering.

Arnon Grunberg met een redacteur tijdens zijn verblijf van een maand samen met een aantal kunstenaars in het Stedelijk Museum Amsterdam. Foto Maurice Boyer

Mijn laatste ochtend in het Stedelijk ga ik naar het depot om de directeur, Rolf, van het depot nog eens te ontmoeten. Het depot is het geheim van het museum en van alle werknemers die ik heb ontmoet is Rolf, samen met wetenschappelijk medewerker Maurice, de geheimzinnigste.

„Ja”, zegt hij, „ik sta bekend zoals jij me omschreven hebt als mild-cynisch. Daarom zei ik steeds: ‘schrijf het maar niet op.’ Iedereen heeft overal een mening over, maar als het puntje bij paaltje komt, geeft niemand thuis.”

We lopen door het depot: stoelen, vazen, schilderijen, keurig ingepakte installaties.

„Ben je nieuwsgierig naar wat er allemaal in die dozen zit?” vraag ik.

„Nee”, zegt Rolf.

Ergens hangt een fiets. „Weet je iets van die fiets?” vraag ik.

„Nee”, zegt Rolf.

Een volgende zaal. „We hebben momenteel geen conservator toegepaste kunst”, vertelt Rolf. „We hadden er een, maar die was snel weer verdwenen omdat die zich

Fanmail die Arnon Grunberg ontving tijdens zijn verblijf van een maand in het Stedelijk. Foto Maurice Boyer

niet kon vinden in het beleid van de directie.”

Die middag moet Rolf drie schilderijen afleveren in het Singer Museum in Laren.

„Welke schilderen lever je af?” informeer ik.

„Iets met Max”, zegt hij, „en nog twee andere schilderijen. Je kunt niet alles weten.”

We komen in de ruimte waar de kleurenfoto’s zijn opgeborgen en waar het altijd vijf graden is om verkleuring te voorkomen.

„Op een dag kwam Gerald van der Kaap hier”, zegt Rolf, „en die zag dat een van zijn foto’s blauw was uitgeslagen. Toen zei hij: ‘Dit kan echt niet.’ Heeft hij een nieuwe afdruk gemaakt, maar dan krijg je discussie, wat is echt en wat niet. We hebben het blauw uitgeslagen origineel vernietigd, want anders zegt iemand: ‘Dat neem ik wel mee.’”

Behalve brand zijn insecten de vijand van het depot. We komen langs een val voor zilvervisjes. „Regelmatig komt de ongediertebestrijding langs”, zegt Rolf. „We hebben een kunstwerk met een opgezet dier in het depot en uit die doos kropen op een gegeven moment torren. Toen hebben we het kunstwerk behandeld. Eerst wordt het bevroren, dan wordt het ontdooid, vervolgens gaan we het weer bevriezen. Als dat niet helpt sluiten we het kunstwerk op in een ruimte waar vrijwel geen zuurstof is. Als de insecten dan nog leven, dan verdienen ze het ook om te bestaan.”

Ik zou na mijn dood als een opgezet dier willen worden opgeslagen in het Stedelijk, bij voorkeur komen er geen torren uit me.

Het is tijd om afscheid te nemen van Rolf. Als ik me omdraai, lijkt het alsof hij samen met een bewaker alleen is in dat gigantische depot. En volgens mij is dat ook zo.

De toekomst van Europa

In het museum zelf is het druk vanwege de slotmanifestatie van deze maand in het museum. Rem Koolhaas is er ook, hij denkt samen met jonge, intelligente mensen en wat experts in een afgesloten ruimte na over de toekomst van Europa. Nog nooit is de toekomst van dit continent mij bedreigender voorgekomen als in die ruimte. Vroeger bogen ambitieuze schriftgeleerden zich over de Bijbel, nu buigen ze zich over de toekomst van het vaderland. Wat nuttiger is, is onduidelijk, maar bijbelstudie lijkt me plezieriger.

Als afscheidscadeau voor het Stedelijk maak ik een schilderij waarop ik schrijf: „Het Stedelijk is een tempel voor het best gedresseerde huisdier van de schepping, de mens.”

Amsterdam 30-5-2018 Arnon Grunberg tijdens zijn verblijf van een maand samen met een aantal kunstenaars in het Stedelijk Foto Maurice Boyer
Foto Maurice Boyer

Conservator Martijn komt langs en zegt: „Dat gaat linea recta naar het depot en komt er nooit meer uit.”

En dan de opening van de tentoonstelling van de kunstenaars die meteen ook afsluiting is, want langer dan drie dagen blijft het werk niet hangen. Beter kan het lot van de nieuwkomer niet worden samengevat: drie dagen uithangen en dan weer verdwijnen graag.

Een schilderij van Raafat maakt veel indruk op me, het beeld van de plassende man van Nassam, een bewegend mannetje van Nagham, de schilderijen van Marwa, het roze monster van Christin, de charme en energie van Saed, de verwrongen gezichten van Oussama.

Ik doe twee groepstherapiesessies beneden naast de bibliotheek over vluchtelingen, moderne kunst en Europa. Er is een ‘echte vluchteling’, uit Iran, en hij zegt: „Het is logisch dat de Nederlanders weinig van mij moeten hebben. Het tribalisme zit diep in ons.”

En dan is het voorbij.

De werknemers zijn onschuldig

Na een maand in het museum besef ik dat musealisering een doodstraf is, daar kan het Stedelijk niets aan doen. Ik bid dat de werknemers mij vergeven want zij zijn onschuldig – op een enkeling ben ik verliefd geworden, met een derde had ik graag dronken willen worden, met een vierde had ik een wilde nacht willen beleven en met een vijfde had ik graag lang willen praten, maar: het museum is de vijand van de kunstenaar en van de schrijver. Want het museum is de dood en ik wil, om Gerard Reve te parafraseren, nog even leven voor ik voor altijd verdwijn in het depot van Rolf.

    • Arnon Grunberg