De voetbalbroers Amadou (links) en Demba van Leeuwen bij voetbalclub Zeeburgia.

Foto Joris van Gennip

Van Amsterdam-Oost naar de nationale ploeg van Mali

Voetballers naar Afrika

Van de jeugd bij Zeeburgia tussen de leeftijdsgenoten in Mali. Het avontuur van de broers Demba en Amadou van Leeuwen.

Finale Afrika Cup 2017, Kameroen tegen Egypte. Thuis op de bank in Amsterdam volgen de broers Demba en Amadou van Leeuwen de wedstrijd live. Hun vaderland Mali is al vroeg in het toernooi uitgeschakeld. De interesse voor het team is wel gewekt, in de duels van het Malinese elftal. Wat als ze voor Mali zouden willen spelen? „Kan dat?” vroeg de toen zestienjarige Demba aan zijn moeder Marianne van Leeuwen. Ze lachte, maar Demba en zijn twee jaar jongere broertje Amadou meenden het toch echt.

Demba van Leeuwen is nu 17 jaar oud, en spits van de A2 van Zeeburgia. Zijn jongere broer is 15, en rechtsback in de B2 van de Amsterdamse club. Hun moeder is de voorzitter van Zeeburgia. Van jongs af aan staat hun leven in het teken van voetbal.

„We trainen vijf keer per week”, zegt Amadou. Drie keer in de week met hun eigen teams en nog twee dagen persoonlijk, met een techniektrainer. Ze stapten over van AFC naar Zeeburgia, waar meer aandacht is voor de individuele ontwikkeling van spelers. Alles om hogerop te komen, het vizier gericht op een profcarrière.

Trainen op het veld van Zeeburgia. Foto Joris van Gennip

Het project Mali, het geboorteland van hun vader, kon daar wel eens bij helpen, dachten de broertjes. Pa woont in Parijs, zijn zonen bij hun moeder in Amsterdam. „We hebben het maar bij haar neergelegd”, zegt Demba.

Moeder ging op zoek naar de contacten, via Google en Facebook. Er bleek een Malinees oud-international met een zoektocht bezig in Europese landen, naar jonge talenten met Malinese roots. Het contact werd gelegd, Mala Touré zou komen kijken bij wedstrijden van de broers in Nederland. Half december werd dat gepland, precies op de dag dat Nederland – en ook het sportpark van Zeeburgia in Amsterdam-Oost – bedolven lag onder een pak sneeuw.

Vijfduizend kilometer verderop

„Dat ging helaas niet door”, zegt Amadou. Maar een mogelijkheid om toch hun talent te laten zien, diende zich snel aan. De Malinese jeugdelftallen speelden vriendschappelijke wedstrijden in februari dit jaar, voorselecties in de hoofdstad Bamako, bijna vijfduizend kilometer ten zuiden van Amsterdam. „We werden uitgenodigd om daaraan mee te doen.” Die reis werd door de familie zelf bekostigd.

Een extra wedstrijd werd ingepland voor de broers, de één bij onder 20, de ander bij onder 17. De Malinese coaches toonden zich tevreden na afloop, een uitnodiging - op kosten van de Malinese voetbalbond - voor een gezamenlijk internationaal toernooi in Marokko volgde.

Tien jaar geleden waren Demba en Amadou voor het laatst in Mali geweest. Door de spanningen en onrust in het land was het er niet meer van gekomen. Amadou heeft nog maar maar weinig herinneringen aan het land. Hij was destijds vijf jaar oud. Toch voelde het in februari alsof hij thuis kwam, zegt hij. „We werden ontvangen door de familie, een grote familie. Mensen die ons allemaal bleken te kennen, maar wij hen niet.” Ook hun vader was erbij, zoals het gaat in Afrika, alles voor de familietrots. De buurman stelde zich voor als oom, „maar dat was hij niet”, zegt Demba.

Op het terras van het clubhuis. Foto Joris van Gennip

In de hitte van Bamako – met temperaturen boven de 40 graden – mochten ze hun kwaliteiten laten zien. „Ik had moeite met die warmte”, zegt Amadou. In Nederland was het acht graden onder nul.

Maar de wedstrijden verliepen goed, net als de communicatie met hun leeftijdsgenoten. „De Malinese jongens spreken allemaal Frans, alleen de wedstrijdbespreking deden ze in hun eigen taal”, zegt Demba. De Franse vertaling werd daarna door teamgenoten op het veld gedaan. Moeder van Leeuwen voedde haar zonen tweetalig op, zodat ze altijd – makkelijk – zouden kunnen communiceren in het land van hun vader, als ze daar zouden zijn.

Velden zonder gras

Onderweg van het hotel naar het stadion waar de wedstrijden gespeeld werden, reden ze langs zandvelden zonder gras, waarop ieder Malinees kind begint met voetballen. „Daar scheurden gewoon auto's overheen, de hele dag, en in de avond wordt er dan op getraind”, zegt Demba.

Maar voor de nationale teams is het beter geregeld. „Wij speelden de wedstrijden op goed gras in het oude stadion voor het nationale elftal. En er zijn zelfs kunstgrasvelden.”

„Ik vind ze vrij technisch”, zegt Amadou over de verschillen met Nederlandse voetballers. „Misschien komt dat wel juist door die zandvelden, dat ze weten hoe ze moeten anticiperen op oneffenheden in het veld.”

Contact met zijn teamgenoten in Mali heeft hij nog steeds. „Ze vragen na iedere wedstrijd hoeveel ik heb gespeeld, via Whatsapp.”

Examens

Een echte interland spelen, dat is waarvoor de broers aan het avontuur zijn begonnen. Spelen op een podium, waar miljoenen mensen naar kijken. Een springplank, een aanzet tot een carrière in het voetbal.

Demba had zijn debuut al kunnen maken voor Mali onder 20. Dat team werd in 2017 nog vierde op het WK in India. Maar de examens in Havo 5 hielden een eerste wedstrijd in het Malinese tenue tegen. „Dat begrepen ze wel, daar”, zegt hij.

Hij is niet bang dat zijn kansen nu zijn verkeken. „De meeste jongens zitten in Mali niet op school, de bond vond het logisch dat ik dit eerste wilde afmaken.”

Zijn broertje had niet dezelfde keuze gemaakt en probeerde Demba zelfs over te halen. „Ik was sowieso gegaan. School komt daarna wel”, zegt Amadou, terwijl hij zijn broer een tik op zijn schouder geeft.

Nu rest het wachten, op een volgende kans. Het onder-17-team speelt in september een toernooi in Senegal. Amadou van Leeuwen hoopt er dan bij te zijn. En daarna? „Samen spelen voor het eerste team van Mali. Dat is het doel.”

    • Jelmer Kos