Strijd om macht en geld rond TeamNL

Reorganisatie NOC*NSF

Nederland presteert de laatste jaren goed op de Olympische Spelen. Maar het rommelde in de top van sportkoepel NOC*NSF.

Maurits Hendriks tijdens de presentatie van TeamNL voor de Zomerspelen van 2016.Foto Robin Utrecht/ Hollandse Hoogte

Met kleine, klaterende fonteinen als muzak lepelt Maurits Hendriks op een terras van Papendal een bord soep leeg. Zo nu en dan kijken zijn priemende ogen over de rand van zijn bril ten teken dat de kritische noot tot hem is doorgedrongen. Hij denkt even na over de hem toegeschreven kwalificatie van systeemdenker en het verwijt dat hij flair mist. Om op z’n Hendriks’ – ogenschijnlijk onaangedaan – te counteren: „Iedereen heeft zijn kleur, kracht en zwakte. Ik ben oprecht jaloers op mensen met de gave zaken met humor te bekijken, maar ik ben Maurits en doe de dingen op mijn manier.”

Hendriks dirigeert de Nederlandse topsport. Je zou ook kunnen zeggen, dat hij terug is aan de macht. Want als technisch directeur van NOC*NSF verliet hij in de zomer van 2016 wankelend Rio de Janeiro, waar hij als chef de mission publiekelijk als een Guust Flater van de olympische ploeg werd weggezet. Intern kreeg hij – vooral van sporters en coaches – stevige kritiek te verduren. Kern van alle klachten: hij is moeilijk benaderbaar en hij heeft te veel aandacht voor medaillewinnaars.

De samenwerking tussen Hendriks en zijn medewerkers in Rio bleek evenmin optimaal te zijn verlopen. En dan werd hij extern ook nog gegrild vanwege het wegsturen van turner Yuri van Gelder en het organiseren van een ‘losersvlucht’ voor sporters die klaar waren in Rio.

Mentaal was het een zware tijd. Maar bijna twee jaar later is Hendriks tot rust gekomen. De crisis van de Spelen heeft hij verwerkt, en hij is technisch directeur gebleven na een verbeten tweestrijd met Jeroen Bijl, de manager topsport met wie Hendriks bijna acht jaar leiding gaf aan de afdeling Topsport van NOC*NSF. Sinds een jaar is hij alleen de baas. Bijl is nu technisch directeur bij de hockeybond.

Het gedoe op Papendal veroorzaakte onrust bij de bonden, die voor de financiering van hun topsportprogramma’s grotendeels afhankelijk zijn van Hendriks en de zijnen. Hun zorg spitste zich toe op TeamNL, de nieuwe naam waaronder vrijwel alle Nederlandse sportploegen zich op grote toernooien presenteren.

Lees ook ons interview met Hendriks na zijn vertrek na de Spelen in Rio: De chef die weinig goeds kon doen.

Medailles stromen binnen

Sportief gaat het goed, want de medailles stromen gestaag binnen, maar als marketingvehikel wil TeamNL, ondanks een zwaar opgetuigde afdeling bij NOC*NSF, maar niet goed van de grond komen. Waar NOC*NSF in de periode daarvoor verzekerd was van ruwweg twaalf miljoen euro aan sponsorinkomsten, is die bron met de introductie van TeamNL opgedroogd tot netto ruim vier miljoen euro. Loopt de financiering van de Nederlandse topsport gevaar? Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Wat ging er mis? Zijn er lessen geleerd?

Kenners van de sponsormarkt oordelen dat TeamNL te geforceerd is gelanceerd, zonder een stevige financiële basis. Enthousiast naar het bedrijfsleven stappen zonder de bonden bij het project betrekken, bleek een strategische fout. Tegen die achtergrond vindt Hendriks „het een hele prestatie dat er nu al acht miljoen euro uit de markt wordt gehaald”.

Maar dat is een bruto bedrag, omdat vier en een half miljoen aan 29 bonden wordt betaald als vergoeding voor afgestane marketingrechten aan TeamNL. „Die compensatieregeling bevordert luiheid onder bonden”, zegt Huub Stammes, directeur van de judobond. „Zo van: we krijgen ons geld toch wel. Dat vind ik niet goed, omdat het de ondernemingslust niet stimuleert.”

Voor Hendriks hangt veel van TeamNL af. Hij kwam na de Spelen van Londen (2012) met het idee alle Nederlandse topsporters in één ploeg onder te brengen. Het welslagen van TeamNL beschouwt hij als zijn toekomstige erfenis aan de Nederlandse sport. „Als dit project lukt, kan ik met een gerust gevoel de deur achter me dichttrekken.”

Maar het generale gevoel onder bonden over TeamNL staat vooralsnog haaks op die wens. Dat varieert van scepsis tot het idee aan een moeizame exercitie bezig te zijn. Oproer blijft uit, omdat NOC*NSF nog even de tijd wordt gegund, mede doordat bonden met tonnen gecompenseerd worden. Maar voor de Spelen van Tokio (2020) moet TeamNL financieel op orde zijn, is een krachtige opvatting.

Lees ook onze analyse na de Winterspelen in Pyeongchang: De medailles stroomden binnen voor TeamNL, het geld nog niet.

Te vroeg, zegt Thomas van Schaik, commercieel directeur van NOC*NSF en verantwoordelijk voor het vermarkten van TeamNL. Hij denkt aan 2022, het jaar van de Winterspelen in Beijing, als deadline. Omdat het opbouwen van een merknaam nu eenmaal tijd kost, beweert Van Schaik, die binnenkort vertrekt bij de sportkoepel. Maar dat staat naar zijn zeggen los van de stroperige voortgang van TeamNL. Hij is, zoals dat heet, toe aan iets nieuws.

Niet alleen Ranomi, Dafne en Epke

Van Schaik wil van geen negativisme weten. Het komt goed, is zijn boodschap. Omdat TeamNL niet alleen op grote namen als Ranomi Kromowidjojo, Dafne Schippers of Epke Zonderland steunt, maar sponsors zo’n 850 topsporters in dertig sporten biedt. Van Schaik: „TeamNL resoneert, maar rendeert nog niet. Uit tweemaandelijkse metingen blijkt dat de naamsbekendheid toeneemt. Dit is een project van de lange adem.”

Zijn optimisme wordt nog niet onderbouwd met cijfers. Voor de jarenlange hoofdsponsors als EY en Randstad, die afhaakten bij de introductie van TeamNL, zijn nog geen vervangers gevonden. Bedrijven lopen allesbehalve warm om elitaire sponsor te worden voor zo’n anderhalf miljoen euro per jaar. Maar dat NOC*NSF verwijten, is niet terecht, vindt Hendriks. „De bonden moeten net zo hard de markt op. Er is een gezamenlijke inspanning nodig om ons doel met TeamNL te bereiken.”

Dé sponsors van de topsport zijn de Nederlandse Loterij, met een vastgelegde afdracht – 44,7 miljoen euro in 2017 voor NOC*NSF, waarvan 12,3 voor de topsport – en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) dat vorig jaar 38,5 miljoen euro aan de Nederlandse topsport uitkeerde, plus 12 miljoen aan het Stipendium, het salarisgebouw voor topsporters.

NOC*NSF verdeelt dat geld volgens een module waar alle 74 aangesloten bonden over meebeslissen. Dus ook de sjoelbond, de vereniging voor luchtvaart, de drakenbootfederatie en Sportvisserij Nederland, met meer dan een half miljoen leden, na voetbal en tennis, de derde bond van Nederland.

Rationeel, op het kille af

Topsport is in Nederland een staatsaangelegenheid. Een vaststelling die vooral Hendriks geruststelt, omdat een overheid niet kan omvallen. Fijne gedachte voor een technisch directeur die na ‘Rio’ lang onzeker was van zijn baan. Algemeen directeur Gerard Dielessen hield hem uiteindelijk in het zadel.

Er waren op Papendal ook tegenstanders van zijn herbenoeming. Hendriks wordt door die stroming getypeerd als rationeel en zakelijk, soms op het kille af. Inhoudelijk sterk, innovatief, met hart voor de sport, zeggen mensen die hem goed kennen, maar hij zou wel wat meer empathie mogen tonen. Als chef de mission had hij bijvoorbeeld moeite de harten van sporters te veroveren.

Maar waarom moest de leiding van de afdeling Topsport van twee naar één worden teruggebracht? Hendriks en Bijl werkten ondanks stevige karakterologische verschillen bijna acht jaar professioneel samen en werden gezien als complementair; met technische man Hendriks als het hoofd en beleidsman Bijl als het hart van de topsportafdeling. De sector functioneerde naar tevredenheid van de bonden. .

Het vertrek van de kundige Bijl, met in zijn kielzog prestatiemanager Charles van Commenée, wordt alom betreurd. André Cats, technisch directeur van de zwembond KNZB, en daarvoor prestatiemanager paralympics bij de sportkoepel: „Ik kan niet anders dan vaststellen dat er met Jeroen en Charles kwaliteit is verdwenen. En daar zie ik niet direct de voordelen van.”

Er zijn ook opvattingen dat Hendriks’ houdbaarheidsdatum voorbij is, niet zozeer vanwege de persoon, maar vanwege het proces. Stammes van de judobond ziet dat gevaar: „Na acht jaar eindverantwoordelijk te zijn geweest, is het vaak beter om te vertrekken. Dan zijn nieuwe inzichten gewenst. Anders bestaat het risico van koningsgedrag, met volgelingen die de koning napraten. Dan verdwijnt interne kritiek, met als gevolg dat kritische geesten vertrekken. Dat zie je bij NOC*NSF gebeuren.”

De reden voor een reorganisatie van ‘Topsport’ en de leiding terug te brengen tot één technisch directeur, was volgens directeur Dielessen simpel: „De constructie met twee afdelingshoofden was aan slijtage onderhevig. Voor medewerkers was het onduidelijk wie waarover ging. En dan gaan mensen shoppen. Je wilt een zo effectief mogelijke organisatie, en niet dat dingen dubbel worden gedaan. Toen uit de evaluatie van de Zomerspelen in Rio de Janeiro ook nog eens bleek, dat de dubbelfunctie van technisch directeur en chef de mission te zwaar werd, leek het mij gewenst de slag naar een eenhoofdige leiding te maken.”

Die keus dreef Hendriks en Bijl voorgoed uit elkaar. De aanvankelijk coöperatieve Bijl wenste in de nieuwe constellatie pertinent niet onder Hendriks te werken en besloot de machtsstrijd aan te gaan. Hij verloor en vertrok als technisch directeur naar de hockeybond, nadat hij eerst zijn taak als chef de mission bij de Winterspelen van Pyeongchang had afgerond.

Maurits Hendriks met Jeroen Bijl tijdens de Zomerspelen in Rio de Janeiro. Foto Pim Ras/ Hollandse Hoogte

Wrevel over de procedure

Intern was er wrevel over de benoemingsprocedure. Het besluit van de directie de afdeling Topsport te laten doorlichten door adviesbureau A.T. Kearney werd niet gewaardeerd. Waarom durfde Dielessen zelf geen keus voor een technisch-directeur-nieuwe-stijl te maken en wilde hij zich gedekt weten door een extern advies? Niet bepaald doortastend, was het generale gevoel.

Dielessen pareert die kritiek „omdat het altijd beter is om meer ogen te laten meekijken.” Hij wilde zijn gewenste ingreep getoetst zien door deskundigen, zegt Dielessen, die het knap vindt dat twee botsende karakters het acht jaar met elkaar hebben uitgehouden. Maar na ‘Rio’ was de rek eruit, vond hij. „Natuurlijk had ik zelfstandig kunnen handelen, maar door een adviesbureau te laten meekijken, kon ik de keuzes objectiveren. Ik heb niet de wijsheid in pacht en houd ervan te sparren. Waarom de keus op Hendriks viel? Dat ga ik niet toelichten. Ik kan daarover zeggen dat voor hem is gekozen op basis van onze uitgangspunten en zijn competenties.”

Exit Bijl dus, evenals de min of meer solidaire Van Commenée. Na het eerdere vertrek van de zeer gewaardeerde prestatiemanagers Ad Roskam (nu technisch directeur Atletiekunie) en Cats, betekende dat een uitholling van de afdeling Topsport. Veel kwaliteitsverlies in combinatie met het wegvloeien van kritisch vermogen, is een veelgehoorde opvatting.

Maar Hendriks draait het nadeel om in een voordeel, omdat drie van die vier de topsport blijven dienen in een andere functie. Met een zekere mate van tevredenheid: „Goed dat Ad, André en Jeroen nu bij bonden werkzaam zijn. Dat hun kennis voor de topsport bewaard is gebleven, zie ik als een versterking van ons systeem. Ik hoop dat ook Charles voor de Nederlandse topsport behouden blijft. En binnen onze organisatie hebben nieuwe, bekwame mensen als Arjen Boonstoppel, René Wolff, Ralf van der Rijst en Jan van Veen hun plaatsen ingenomen.”

Infographic NRC

Te drukke werkzaamheden

Resteert de vraag hoe het valt te rijmen, dat Hendriks zijn rol als chef de mission afstootte wegens te drukke werkzaamheden, maar daarvoor in de plaats het takenpakket van Bijl erbij nam. Alsof dat geen verzwaring van werkzaamheden betekent. In zijn Umfeld is daar met verbazing kennis van genomen. Zo veelomvattend is het chef-de-missionschap ook weer niet, zeggen betrokkenen. De taak van technisch directeur is een voltijdsbaan, evenals het werk dat Bijl deed, die van chef de mission zeker niet.

Een bewering die ironisch genoeg gestaafd wordt door het uitblijven van de aanstelling van de externe chef de mission voor de Zomerspelen van Tokio in 2020. Om nu te zeggen dat NOC*NSF daar haast mee maakt, niet bepaald. Volgens Hendriks wordt de naam van de nieuwe man deze zomer bekendgemaakt. Vroeg genoeg, zegt hij als ervaringsdeskundige: „Belangrijkste taak van de chef de mission is een relatie met de sporters opbouwen. Pas een jaar voor de Spelen krijg je een beeld van de ploegsamenstelling.”

Niet iedereen steunt overigens de ontvlechting van de combinatie technisch directeur en chef de mission. „Ik vind het een stap terug”, zegt Ad Roskam van de Atletiekunie, het is een mening die breed gedragen wordt. „De technisch directeur van NOC*NSF volgt vier jaar de inhoudelijke lijn, kent de coaches en de sporters. Dan vind ik die koppeling van functies logisch. Ik ben benieuwd of de nieuwe chef de mission alleen het gezicht naar buiten toe is of hij of zij zich ook inhoudelijk met programma’s bemoeit. Met dat laatste heb ik in mijn verleden als zwemcoach slechte ervaringen.”

Ander punt van kritiek bij een aantal bonden is de keus van Hendriks veelvuldig businessclass te vliegen. Niet doen, vindt judoman Stammes: „We werken in de topsport met publiek geld. De hele sportwereld vliegt economy en één persoon businessclass. Met het geld voor al die tickets kan een bond op topsportgebied goed ondersteund worden.” Een mening die Roskam niet deelt. „Als je die meerkosten uitsmeert over alle bonden, kunnen we hooguit een kopje koffie extra nemen. Ik vind het gefröbel in de marge.”

Hendriks zegt alleen bij intercontinentale vluchten, in combinatie met een druk programma, voor businessclass te hebben gekozen. „Maar het zou goed zijn als we daar opener in zouden zijn geweest”, erkent hij. „Nu vlieg ik standaard economy en bij uitzondering, met toestemming van de directie, businessclass. Ik heb weleens gepleit voor het volgen van de norm op het ministerie van VWS, onze belangrijkste financier. Die is: intercontinentaal zonder aansluitende rustdagen mag businessclass worden gevlogen. Dan is het transparant. We hebben de pech dat na Rio de Janeiro de volgende Olympische Spelen in Tokio en Beijing worden gehouden. Daar moet je nu eenmaal een behoorlijk aantal keren naar toe.”

Netwerk opbouwen

Maar zijn die reizen écht nodig? Hendriks kent geen twijfel. „Om een netwerk op te bouwen. Neem het verschrikkelijke ongeluk met wielrenster Annemiek van Vleuten in Rio de Janeiro. Dankzij onze contacten met een Nederlandse arts en een Braziliaans ziekenhuis kon ze adequaat geholpen worden. Dat is het resultaat van jarenlange investeringen. Of denk aan de pittige dagen die schaatser Jan Blokhuijsen ons tijdens de Winterspelen in Pyeongchang bezorgde met uitspraken over zijn afkeer van het eten van hondenvlees in Zuid-Korea. Dat probleem zou zonder inzet van de Nederlandse ambassadeur Lody Embrechts onmogelijk zijn opgelost. Door vele bezoeken hadden we een persoonlijke relatie met de ambassadeur opgebouwd. Die betaalde zich toen uit.”

Correctie (1 juni 2018): In een eerdere versie van dit stuk werd de voornaam van Arjen Boonstoppel foutief gespeld als Arjan. Dat is hierboven aangepast.

    • Henk Stouwdam