Opinie

    • Georgina Verbaan

Smalltalk

In de kleine speelgoedwinkel om de hoek doe ik een poging tot smalltalk. „Goeiemiddag, mag ik u iets vragen?” „Brand los.” „Ik zoek een waterpistool.” Daar gaat al het een en ander mis, omdat ik eerst vraag of ik iets mag vragen en daarna niets vraag maar gewoon open en bloot sta te liegen over waar ik mee bezig ben, want in principe sta ik gewoon gespeeld gepijnigd naar die vrouw te kijken met mijn waterpistoolprobleem en ga ik ervan uit dat zij het oplost. „Heb ik niet.” Ai, teleurstellend.

Iets in mij wil mokkend en zacht of iets minder zacht vloekend de zaak uitlopen, op zoek naar iemand die me wel kan helpen, en misschien een traantje plengen, maar omdat ik wil leren converseren – en gelezen heb dat smalltalk de lucifer van een vurig gesprek kan zijn – slinger ik er nog een niemendalletje in. „Zijn zeker hard gegaan he, met dit weer?” Voor de beginneling op het gebied van smalltalk is het bespreken van atmosferische omstandigheden niets om je voor te schamen, las ik. „Nee, ik heb ze gewoon niet.” Jammer. Geen gesprek over die bloedhitte dus. Ik kijk de zaak rond. De vrouw kijkt alsof ze door wil met de administratie. Ik zou ook nu gewoon kunnen afronden door te bedanken voor de gegeven informatie, maar ik moet leren spreken met vreemden dus deze mevrouw moet nog maar even volhouden. Achterin de zaak zie ik een nieuwe opening. Ik knik ernaar. „Maar de sleetjes staan er alvast.” Ik lach erbij. Vooral met mijn ogen. Misschien wel maniakaal. „Ja, die staan er al.” We kijken samen even naar de sleetjes. Dit wordt niks. Ik bedankt toch maar en druip af naar de supermarkt.

Normaal beperk ik winkelcontact tot een beleefd minimum

Ik dacht dat smalltalk oefenen in winkels makkelijker zou zijn. Normaal beperk ik winkelcontact tot een beleefd minimum. Deze alstublieft. Ingepakt? Nee, dank u wel. Tasje erbij? Nee hoor. De bon misschien? Nee, dank u. Kijk eens, alstublieft. Dank u wel, fijne middag. En bij de supermarkt kan het allemaal nóg sneller. „Zo, jij hebt er zin in.” De vrouw achter de kassa kijkt mild spottend. Ik hou niet van mild spottend. En zeker niet van raadsels. Ik kijk onopvallend of mijn bloes misschien open staat. Dat is niet zo. „Hoe bedoelt u?” Te defensief, dat zei ik te defensief. Ze knikt naar de zakken chips op de band. Oh. Chips. Ik lach als een hond die straf krijgt en maak me uit de voeten. Naar de wijnwinkel, in gódsnaam. Daar pak ik routineus een fles en ik zet hem op de toonbank voor de man die er niet vaak werkt. „Deze alstublieft.” De man zegt niets en scant. Piep. Ik pak mijn pinpas en zie in de hoek van de zaak een Beagle zitten met zo’n plastic kraag van de dierenarts om. „Ach…” zeg ik. Ik kijk naar de man en knik naar de hond. De man houdt het zakelijk. „Dat is dan 8,95” Ik pin. „Zielig toch, met dit weer? Zo’n kraag?” probeer ik nog eens. „Gaat zo wel he?” vraagt hij over zijn schouder terwijl hij naar een computer loopt. Hij kijkt naar mijn tas met chips. Ik kijk mee. „Erh, ja hoor. Ja. Gaat wel denk ik.”

    • Georgina Verbaan