Lood in Groenland toont het lot van de Romeinen

Archeologie

In millennia-oud Groenlands ijs is de looduitstoot van Romeinse mijnen bevroren. Loodemissies volgen de oorlogen en bloeiperioden in de Romeinse geschiedenis.

De Russell-gletsjer op West-Groenland, een uitloper van de Groenlandse ijskap waar het onderzochte ijs in 1998 is uitgeboord. Foto Reda&CO/Getty Images

Je kunt 1.900 jaar historie vangen in een staaf ijs van 422,87 meter. En als je daaruit blokjes van 1 bij 0,035 bij 0,035 millimeter snijdt, kun je dat ijs lezen als een boek over de Romeinse geschiedenis. Elke flinter is een bladzijde van een jaar. Veroveringen, epidemieën en burgeroorlogen trekken aan je oog voorbij – in de vorm van loodafzettingen die in het bevroren water zijn verstild.

Het was al langer bekend dat in het ijs op Groenland Romeinse loodemissies te vinden waren: de uitstoot van mijnen die eeuwenlang door de wind daarheen gedragen is. In deze mijnen werd galeniet gewonnen, een mineraal dat in de Oudheid de belangrijkste bron was voor lood en zilver. Tot op heden konden de emissies die bij deze lood- en zilverproductie vrijkwamen wel aan bepaalde periodes worden gekoppeld, maar niet aan een precies jaartal.

Een groep onderzoekers van de universiteit van Oxford is er nu met nieuwe meetmethoden echter in geslaagd de looduitstoot tussen 1.100 voor Christus en 800 na Christus van jaar tot jaar in kaart te brengen. Ze publiceerden er in mei over in de Proceedings of the National Academy of Sciences. Het lijkt erop dat de toe- en afname van lood in de atmosfeer nauw verbonden is met belangrijke gebeurtenissen in de Romeinse geschiedenis. Romeinen gebruikten lood voor van alles.

Het onderzochte ijs is in 1998 in Groenland uitgeboord en ligt opgeslagen in een vriezer in Kopenhagen. Voor de bestudering van het door hen gewenste tijdvak, gebruikten de wetenschappers uit Oxford de ijslaag die tussen 159,56 en 582,43 meter diepte was aangetroffen. Met een speciaal voor onderzoek aan ijs ontwikkelde massaspectrometer van het Desert Research Institute (DRI) in Nevada werden de monsters vervolgens onderzocht op een dertigtal chemische elementen en isotopen, waaronder lood.

Lees ook: Caesar schreef nepnieuws. Of toch niet?

Niet al het aangetroffen lood was afkomstig uit Romeinse mijnen, die zich voornamelijk in Spanje en verder in Zuid-Frankrijk en Duitsland bevonden. De onderzoekers filterden onder meer lood dat door vulkaanuitbarstingen was vrijgekomen uit hun gegevens. Hierna vergeleken ze hun metingen met aangetroffen loodconcentraties in veenmoerassen in Spanje, Schotland en op de Faeröer. De afname van de aangetroffen hoeveelheden neergeslagen lood op de route tussen Spanje en Groenland verliep volgens een logisch patroon, waardoor de onderzoekers overtuigd waren van de nauwkeurigheid van hun ijsmetingen.

De aldus vastgestelde fluctuaties in loodemissies passen perfect op de pieken en dalen van de Romeinse geschiedenis. Tijdens de Tweede Punische Oorlog bijvoorbeeld, veroverden de Romeinen in 206 voor Christus de mijnen in Zuid-Spanje die tot op dat moment in handen van Carthago waren geweest. Meteen op die verovering volgde een forse stijging van de looduitstoot.

De anderhalve eeuw hierna kenmerkte zich door regelmatige opstanden tegen het Romeinse gezag, en tijdens elke opstand verminderden de loodemissies. Pas toen Julius Caesar in 61 voor Christus in Spanje orde op zaken stelde, was er sprake van tien jaar stijgende uitstoot. Die werd weer onderbroken door de burgeroorlogen die volgden op zijn dood, om uiteindelijk vanaf het bewind van keizer Augustus (27 voor Christus – 14 na Christus) gedurende twee eeuwen op een hoog niveau te blijven. Het keizerrijk en de daarbij behorende Pax Romana was duidelijk goed voor de Romeinse economie.

Pest van Antoninus

Alleen direct na het jaar 9 na Christus is er een opvallende dip te zien, toen de drie legioenen van Publius Quinctilius Varus door Germanenleider Arminius (Hermann) werden vernietigd in wat de slag bij het Teutoburgerwoud wordt genoemd. De Romeinen verlieten hierna permanent bepaalde stukken Duits grondgebied, waaronder het Sauerland, waar een aantal mijnen gelegen was.

De Romeinse productie van lood en zilver kreeg een definitieve klap met de zogenoemde Pest van Antoninus – waarschijnlijk een pokkenepidemie – die in 165 na Christus uitbrak. Hierna zou het tot de achtste eeuw duren voordat de Europese looduitstoot weer op ‘Romeins’ niveau zou komen.

Leonard Rutgers, hoogleraar Late Oudheid aan de Universiteit Utrecht, noemt het artikel van zijn collega’s uit Oxford „een knap stukje werk”. Eén kanttekening wil hij wel maken: „De causaliteit tussen gebeurtenissen in de Romeinse geschiedenis en de fluctuaties van de hoeveelheden lood in het ijs, is natuurlijk nooit te bewijzen. Maar het samenvallen van de data is mooi.”

Lees ook: Het klimaat richtte nogal wat aan in het Romeinse Rijk

De Oxfordse onderzoekers hebben zich uitsluitend gericht op de ups en downs van de Romeinse economie, maar Rutgers stuit bij de bestudering van de data ook op andere interessante pieken. „De oude Grieken deden ook aan mijnbouw, in het Lauriongebergte, waarbij ook lood moet zijn vrijgekomen, want er was galeniet in die mijnen. Deze winning is intens verbonden met de opkomst in de vijfde eeuw voor Christus van met name Athene als grote machtsfactor in het Griekenland, en ik zie ook in de data uitschieters in precies die periode. Dit roept wel weer verdere vragen op, want dat zou betekenen dat niet alle sporen uit Romeinse mijnen afkomstig zijn.”

Ook Luuk de Ligt, hoogleraar Oude Geschiedenis in Leiden, vindt het Oxfordse onderzoek interessant. Hij waarschuwt wel dat er geen al te vergaande conclusies moeten worden verbonden aan de daling van de looduitstoot na de Pest van Antoninus. „Het betekent niet dat het Romeinse rijk vanaf deze epidemie in een permanente crisis verkeerde. Er bestaan bijvoorbeeld zeer sterke archeologische aanwijzingen voor bevolkingsgroei en stedelijke bloei in het Romeinse Nabije Oosten, inclusief Egypte. Ook in andere delen van Romeins Noord-Afrika lijken bevolking en economie zich snel te hebben hersteld. Niettemin nemen de nieuwe data uit Groenland alle twijfels over de enorme impact van de epidemie in en na 165 n. Chr. volledig weg. Dat is een enorm belangrijk winstpunt. Er blijft altijd ruimte voor discussie, maar vanaf nu kan die alleen over de details gaan.”

    • Bart Funnekotter