Onderwijs

Eindexamens kregen steeds langere lappen tekst

Onderwijsblog Het examen wiskunde toetst Nederlands, het examen biologie toetst Nederlands. Het examen Nederlands doet dat niet. Doe dat beter, schrijft Karin den Heijer.

ANP Robin van Lonkhuijsen

België, eind juni 2000. Ik ben bij de delibererende klassenraad van de school waar ik werk. Dat is de besloten vergadering waarin wordt bepaald welke zesdeklassers hun diploma krijgen. Een collega krijgt het woord. “Ja, wat zal ik zeggen…”, zegt ze met een schuin oog naar de directeur. “Het is niet evident…”, zegt een ander. Ik voel me als een toeschouwer bij een conferentie van een geheim genootschap. De ene onvoldoende blijkt de andere niet te zijn. Aarzelend zeg ik: “Deze leerling heeft dan wel lage cijfers, maar het is knap hoe hij die zonder veel te studeren heeft gehaald.” Geschokt kijken de collega’s me aan. “Veel gekker moet het niet worden”, zegt een lerares als we naar buiten lopen. “Met deze studiehouding gaat hij het niet redden op de unief.”

Leve het Centraal Examen, dacht ik toen. En dat denk ik nog steeds. Alle leerlingen worden op dezelfde wijze beoordeeld. Het is een instrument dat emancipeert. Het borgt de waarde van onze diploma’s. Maar een Centraal Examen valt of staat bij de kwaliteit ervan. Het College voor Toetsen en Examens (het CvTE) en Cito hebben het voor elkaar gekregen dat alle examens op elkaar lijken. Ze zouden van het examen ‘afzwemmen’ nog een toets begrijpend lezen maken. Alles in hun handen wordt een boekwerk. En de lappen tekst worden met het jaar groter.

Het examen wiskunde toetst Nederlands, het examen biologie toetst Nederlands en het examen Nederlands toetst géén Nederlands. Waar zijn we mee bezig? Een lerares uit Vlaanderen omschreef het deze week treffend op Twitter: “Wie in Vlaanderen voorstander is van centrale examens, zorgt er best voor dat deze meten wat we willen meten.” Leraren in Nederland geven in de examenklas tegenwoordig ‘examenkunde’ in plaats van het vak dat leerlingen nodig hebben voor hun vervolgopleiding. Tegelijkertijd organiseren vervolgopleidingen inmiddels bijspijkercursussen en decentrale selecties. Gekker moet het niet worden.

De verhaaltjesgekte van het CvTE en Cito is al lang geleden doorgesijpeld naar het onderwijs. ‘Aansluiten op de belevingswereld’, is de gedachte, of ‘toepassen in rijke context’. Ik vind het vooral gewichtigdoenerij. Dit is niet alleen slecht voor de kwaliteit van het onderwijs, het is funest voor taalzwakke kinderen. Deze kinderen – vaak uit kansarme gezinnen – denken zo langzamerhand dat ze helemaal niéts kunnen. Onze bewindslieden hebben de mond vol van ‘talentontwikkeling’, maar een kind dat moeite heeft met lezen, denkt nu ook dat hij niet kan rekenen. En dat is niet alleen een persoonlijk drama, maar dat is ook slecht voor Nederland. We zitten namelijk te springen om gekwalificeerde vakmensen.

Daarom moeten het CvTE en Cito grondig gereorganiseerd worden. Het is tijd voor een kwaliteitsslag. Deze kwaliteit moet komen van vakinhoudelijke experts. Minstens de helft van de toetsenmakers zou les moeten geven in het eerste jaar van het vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo). Per vak zouden in ieder geval twee hoogleraren het examen van tevoren moeten maken. Ik bedoel nadrukkelijk géén didactici of onderwijskundigen. Ik heb het hier over docenten en hoogleraren die dagelijks werken in het vakgebied van het betreffende onderdeel van het examen. Op deze manier wordt de lijn met het vervolgonderwijs weer hersteld. Want vakinhoudelijke experts prikken de ‘bubbel’ van onze ‘toetsexperts’ natuurlijk zo door.

En dan wordt wiskunde hopelijk weer wiskunde en Nederlands weer Nederlands. Het Centraal Examen gaat weer toetsen wat er getoetst hoort te worden. Ons eindexamensysteem staat op losse schroeven. Dus: omhoog die kwaliteit. Leve het Centraal Examen!

Karin den Heijer (ir. chemie) is wiskundeleraar aan het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam.

    • Karin den Heijer