Drinken uit een vijver? Dat doen zelfs outdoorlui niet

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen. Deze week: hoe schoon is het water op het schilderij ‘Hylas and the Nymphs’?

‘Hylas and the Nymphs’, door John William Waterhouse

Dit schilderij uit 1896 van John William Waterhouse heeft in januari een paar dagen niet op zijn vaste plaats in de Manchester Art Gallery gehangen. ’t Was van de muur gehaald om eens goed na te denken over de vraag of er nog wel ruimte moest zijn voor de Victoriaanse verbeelding van vrouwen. Binnen een week was men eruit en werd het werk teruggehangen.

Het doek (‘Hylas and the Nymphs’) toont de ontmoeting tussen de mythologische Hylas, die water komt halen, met een groep waternimfen. Het treffen is hem fataal geworden, hij is na de bijeenkomst nooit meer gezien.

Waterhouse (‘an admirer of young beauty’) schilderde graag adolescente meisjes en hij kon het ook goed, daarover bestaat geen twijfel, maar hij kon ook erg goed planten schilderen. Internet laat daarvan al even overtuigende voorbeelden zien, er zijn zelfs inventarisaties gemaakt van de planten die Waterhouse als stoffering gebruikte. Ze waren altijd Engels, net als de meisjes.

Uitgerekend voor het doek uit 1896 was geen overzicht te vinden, maar de amateur-onderzoeker herkent zonder moeite de waterlelie, de gele plomp, de gele lis en, linksonder, het moerasvergeet-mij-nietje. Op het natte haar van drie nimfen liggen madeliefjes (het kunnen ook waterranonkels zijn). Het struikje naast Hylas moet wel wilde gagel zijn en het geel bij zijn rechtervoet verbeeldt misschien wat klein uitgevallen dotterbloemen.

Stilstaand water is onhygiënisch, daar woekeren bacteriën. De zeven meisjes maken het er in dit geval niet beter op

Al met al is het een combinatie van vegetatie die niet ongewoon is voor een moerasbos of laagveenmoeras en het valt zelfs te rijmen met de opvallende helderheid van het water. Wat verbazing wekt is dat het water een halve meter vóór Hylas al zo diep is – je moet toch aannemen dat de nimfen niet zitten in de modder. Ze stáán – en ze letten niet op het gekriebel tussen hun tenen.

In een verveend laagveen, dus een veen waaruit turf is gestoken, is zo’n plotselinge overgang mogelijk. Maar zoveel lijkt de poel nu ook weer niet op een moeras. De stevige steen rechtsachter wijst de weg: dit is een vijver. Een vijver op een Engels landgoed. Het gagelstruikje is een peperboompje en de kleine dotterbloemen zijn winterakonieten of primula’s. Of zoiets.

Waterhouse laat Hylas water tappen uit een vijver, uit standing water, terwijl iedereen weet en wist en weten moet dat het drinken van dat soort water gevaarlijk is. Stilstaand water is onhygiënisch, er is vuil-insleep door watervogels en andere dieren en in het onderhavige geval maken de zeven meisjes het er niet beter op. Zelfs geharde outdoorlui en survivalaars deinzen terug voor het drinken van stilstaand water. Daar woekeren bacteriën en eencelligen, daar ligt zuurstofloze modder op de bodem waaruit onprettige stoffen vrijkomen. Goed water stróómt.

Aardig genoeg had Waterhouse in 1893 ook al een Hylas geschilderd (‘Hylas with a Nymph’), deze keer met maar één adolescent Engels meisje en wél aan stromend water, maar nu had Hylas weer geen waterkruik bij zich. Eerlijk gezegd lijkt de brede beek van 1893 toch ook geen betrouwbare drinkwaterbron. Hij stroomt niet voldoende hard, het is er al te ver van de oorsprong en het water lijkt niet koud genoeg. Er komt nog bij dat er een geit of schaap (of wat het is) aan de oever staat en dat is vragen om moeilijkheden. ‘Avoid large mammals’, vermijd zoogdieren, adviseerde wijlen emergency physician Mike von Gortler in 2006 op de site backpackinglight.com in een behartenswaardige beschouwing over het drinken van water uit de vrije natuur. (Denk ook altijd aan historische mijnbouw die de bodem vervuild kan hebben.)

Lees ook: Moeten vieze mannen weg uit het museum?

Bestuderen we weer de Hylas van 1896: het is mooi om te zien dat Waterhouse zelfs de vraatsporen van waterslakken in de leliebladeren in beeld brengt. De slakken zetten ook met graagte hun gelatineuze eipakketten af op de onderzijde van de bladeren. De zeven meisjes vinden dat niet erg en ze lijken ook niet te griezelen van de gladde glibberigheid van de leliestelen en plompenstengels, de glibberigheid waar onze Nederlandse Frederik van Eeden het in 1888 nog zo moeilijk mee had. De fijngevoelige Van Eeden, zoon van een vermaard amateur-botanicus, wilde wel genieten van de ‘stille, blanke volkomenheid’ van de waterleliebloem met zijn ‘gouden bloemhart’, maar hij wilde niet weten hoe de stelen van de waterlelie vastzaten in de zwarte grond en hij wilde al helemaal niet zien hoe mensen de bloemen van de waterlelie lostrokken uit de modder: ‘…er komt dan een lange, rolronde, bruinige steel te voorschijn, slap, nat en lam, – dan doet mij dat aan, alsof ik een lieve, schoone vrouw een langen darm uit het blanke lijf zag halen.’ Het is overdrachtelijk, het gaat om kritiek op de weergave van het geslachtsleven door collega-tachtiger Van Deyssel, maar de tegenstelling tussen de zwarte smerigheid in de diepte en het op het zonlicht gericht zijn van de witte leliebloem heeft Van Eeden nooit losgelaten. En dat moest dan in de kolonie Walden de eigen groente verbouwen.

Zo krijg je almaar meer sympathie voor die zeven zelfde Engelse meisjes die nergens last van hebben en die – let op – liever bloemen van de gele plomp in hun haar steken dan leliebloemen. Waarom? De waterlelie ruikt naar niks, de gele plomp geurt naar ratafia.

    • Karel Knip