Opinie

    • Jeroen Geurts

De mentor, het brein en het mes

Elke woensdagochtend haastte een jonge Jeroen Geurts zich naar het mortuarium, op weg naar de kast met witte emmers vol breinen. Anderhalf kilo massa, anderhalf kilo leven.

Als jonge promovendus haastte ik me elke woensdagochtend naar het mortuarium om breinen te snijden. In alle vroegte daalde ik af naar de kelder van het ziekenhuis, anatomieboek onder de arm, in mijn hoofd repeterend wat ik net nog had gelezen, op weg naar het kamertje met de grote kast vol witte emmers. Elke emmer had een nummer. En in elke emmer zat een brein.

Ik selecteerde drie tot vier emmers uit de kast en zocht de medische achtergrond bij de juiste nummers. Ik las en bereidde me voor. Aan het einde van de ochtend moest bekend zijn waaraan deze mensen waren overleden, wat er mis was met hun brein. Werk aan de winkel dus. Ik legde de messen op een snijplank. Eén groot, lang mes. Verschillende kleine scalpels. Latex handschoenen. Mijn boek binnen handbereik.

Ik werkte onder toeziend oog van een neuropatholoog die tientallen jaren aan kennis en ervaring op mij voor had en tegen wie ik erg opkeek. Als ik de voorbereidingen had getroffen kwam hij naar beneden. Handschoenen aan, een groen schort voor. Ik was nerveus, wilde het goed doen. Voor mezelf, maar vooral ook voor hem. „Mogge”, zei hij, de rust zelve. En de eerste emmer ging open.

Vol fascinatie bekeek ik die breinen. Vóór mij lag anderhalve kilo materie, grauw en aards. Enerzijds. Maar anderzijds zat er in die anderhalve kilo een heel leven opgeslagen: blijdschap, verdriet, hoogtepunten, dieptepunten, huwelijken van kinderen, begrafenissen van geliefden. Het contrast was zó groot dat ik het soms nauwelijks kon bevatten. Hic locus est ubi mors gaudet succurrere vitae stond er achter ons op de muur. En inderdaad, hier hielpen de doden de levenden hun wezen te begrijpen.

Mijn mentor was streng. Ik zette het liefst gelijk het mes erin, klaar om te onderzoeken. „Eerst beschrijven wat je ziet”, corrigeerde hij. „Wat vind je van het gewicht? Van het uiterlijke aspect? Van de bloedvaten?” Ik liet mijn hand over de complexe windingen en groeven glijden. „Hier voel ik een verweekt stukje”. Dat bleek meestal een infarct. „Is deze kleur normaal?” Een ontsteking van de hersenvliezen. „Is dit brein niet wat klein?” „Vrouwenhersenen zijn kleiner dan mannenhersenen en voor de leeftijd is dit normaal.” Zo verkenden we en we tekenden op wat we vonden. Totdat het dan toch tijd werd voor die eerste snede. Voorzichtig! Niet zagen, laat het weefsel het mes geleiden. Was ik te onstuimig, dan kreeg ik op mijn kop. Als we op zoek waren naar een minuscule tumor, diep verstopt in de vochtholten, dan moest mijn beste beentje voor. Anders zouden we hem missen.

Man, wat was die anatomie ingewikkeld. Al die hersenzenuwen die in- en uittreden om het aangezicht, onze ogen, organen, ons bewegingsapparaat aan te sturen. Ik zuchtte en steunde. Maar ik werd geduldig geleid. We bekeken de hippocampus, cruciaal voor het geheugen; de motorschors waarmee we bewegen. We benoemden de lange, verbindende banen. Samen wandelden we langs exotische plekken zoals de naamloze substantie en de bundel van Vicq-d’Azyr. We beredeneerden hoe verslavingsgedrag tot stand kwam, of waar alzheimer begint. Mijn mentor daagde me uit. „Breng met één snede de decussatio in beeld, daar waar de banen uit de kleine hersenen kruisen in de hersenstam”. En ik kon het. Steeds beter en steeds vaker. Mijn beloning was een instemmende knik of een kleine glimlach rond zijn mondhoek. Daar deed ik het voor.

Nu, jaren later, is mijn mentor al lang met pensioen. En ikzelf heb zo’n drukke agenda dat ik nauwelijks nog aan snijden toe kom. Maar mijn woensdagen met Wouter hebben voor altijd een paadje in mijn eigen brein gegroefd. Het was niet zozeer de kennis van gebieden, banen, ziekten en syndromen die ik van hem heb geleerd. Die kennis had ik ook uit boeken kunnen halen. Het was zijn mentorschap. Hij was streng als ik slordig was, tevreden als ik iets nieuws onder de knie kreeg. Ik leerde dat het mijn eer te na dient te zijn om niet het beste uit mezelf te halen. Om met minder genoegen te nemen. Hij bracht me kwaliteitsbesef bij, moedigde aan als het moeilijk werd. Hij was een soort vaderfiguur, meer nog dan een leraar. Misschien is dat precies wat een goede mentor is. Iemand die je niet alleen kennis bijbrengt, maar vooral een soort houding ten aanzien van jezelf en de wereld.

Ik ben mijn mentor diep dankbaar. Onze woensdagen hebben me blijvend gevormd. En ik vraag me tegelijkertijd af of we de studenten van nu wel genoeg tijd geven om mentorschap op te zoeken. Er is zoveel haast. Studiepunten, dubbele masters, honours programmes. Gunnen we elkaar nog wel de tijd om rustig de kunst af te kijken en stapje voor stapje beter te worden? Het is die tijd namelijk meer dan waard. Het is een investering voor het leven.

Jeroen Geurts is hoogleraar translationele neurowetenschappen aan het VU Medisch Centrum in Amsterdam.
    • Jeroen Geurts