Sally en Richard Price.

Foto Merlijn Doomernik

‘Marokkanen zullen worden als nu de Indonesiërs in Den Haag.’

Richard en Sally Price | Antropologen

Het antropologenkoppel Richard en Sally Price maakte wereldwijd naam met de bestudering van Afro-Amerikaanse culturen. Hun onderzoeken en de erop volgende polemieken maken hen tot ervaringsdeskundigen in huidige discussies over identiteit.

Z e hebben allang recht op pensioen, maar het Amerikaanse antropologenechtpaar Richard en Sally Price doet nog altijd veldwerk. De laatste jaren vooral onder marrons in Frans-Guyana, want Suriname durven ze niet meer in na serieuze bedreigingen door het bewind-Bouterse. Reden: Richard Price ondersteunde als getuige-deskundige voor de Inter-Amerikaanse mensenrechtencommissie en het Inter-Amerikaanse Hof met succes landclaims van Saramakaner marrons – afstammelingen van slaven die de plantages ontvluchtten.

Richard (76) en Sally Price (74) waren in Nederland voor een congres over Surinaamse marrons. Het gesprek vindt plaats op het Koninklijk Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde in Leiden, bekend terrein voor het antropologenkoppel.

Hun onderzoeken en de daarop volgende polemieken maken Richard en Sally Price, die om en om op het Frans-Caribische eiland Martinique en in Parijs wonen, tot ervaringsdeskundigen bij uitstek in het identiteitsdebat dat zowel in Europa als de Verenigde Staten zo hoog oplaait, van Zwarte Piet tot genderneutrale toiletten. Marrons in Frans-Guyana wonen niet meer, zoals in Suriname, in traditionele dorpen aan de rivier – dat is nog maar 3 procent – maar in steden, waar zij zich laten bekeren door christelijke zendelingen en de ‘moderniteit’ omhelzen, van de Franse politiek tot criminaliteit. Een en ander illustreert hoezeer marrons in Suriname en buurlanden zich kunnen aanpassen aan nieuwe omstandigheden; het zijn volgens de Prices echte „cultural innovators”. Precies het thema waarover Richard en Sally Price al een mensenleven schrijven.

Lees ook over het onderzoek van Bonno Thoden van Velzen naar de marrons in Suriname: Aan de Tapanahoni zijn zwarte Surinamers al eeuwen vrij

Het Franse overzeese gebiedsdeel, oostelijk van Suriname, telt zo’n kwart miljoen inwoners. „Al één op de drie is er marron”, zegt Richard Price. St Laurent, gelegen aan de grensrivier Marowijne, telt inmiddels zestigduizend inwoners, van wie ruim driekwart marron. „Het is de grootste stad met een marronmeerderheid ter wereld. Over zeven tot tien jaar is St Laurent groter dan de hoofdstad Cayenne.” Het is een gevolg van de grote toestroom van Ndyuka’s en Saramakaners uit Suriname sinds de binnenlandse oorlog eind jaren tachtig, begin jaren negentig tussen het Junglecommando van Ronnie Brunswijk en het regime van Desi Bouterse. Bovendien is Frans-Guyana om economische redenen aantrekkelijk. Door hun hoge geboortecijfer zijn marrons er over een aantal jaren zelfs in de meerderheid.

Verbluffend gebrek aan kennis

Ondanks het grote aantal marrons in Frans-Guyana is er bij de rest van de bevolking – veelal creoolse inwoners en een kleinere groep witte Fransen – volgens de Prices een verbluffend gebrek aan kennis over hen. Sally Price: „Niet-marrons in Frans-Guyana beschouwen marrons als allemaal hetzelfde. Ze begrijpen niet dat er vier marronculturen zijn in hun land, Aluku, Ndyuka’s, Paramakaners en Saramakaners, die elk hun eigen taal, religieuze praktijken, kunstuitingen en geschiedenis in Guyana hebben.”

Voor de Prices was het reden een voorlichtingsboekje (Les Marrons) te schrijven voor „onderwijzers, dokters, verpleegkundigen, rechters, iedereen die met marrons te maken heeft”. Het is voor de Prices een vorm van „terugbetalen” aan de marrons, die in hun wetenschappelijke carrière zo’n grote rol speelden.

Richard Price was bij zijn onderzoek onder Saramakaner marrons in Suriname getroffen door wat hij en zijn collega Sidney Mintz ‘creolisering’ noemden: de marrons vormden na hun vlucht in hoog tempo een nieuwe gemeenschap, nieuwe taal, cultuur, religieuze uitingen, rouwrituelen, matrilineaire verwantschapsrelaties, waarbij zij op creatieve wijze uit de diverse Afrikaanse erfenissen en de koloniale nalatenschap (taal) putten.

Richard en Sally Price in 1968.
Foto Richard en Sally Price
Sally Price in 1968.
Foto Richard en Sally Price
Richard en Sally Price in 1968
Foto Richard en Sally Price

Er is hierbij een belangrijk verschil met de zwarte afstammelingen van slaven in Amerika, die veel minder Afrikaanse invloeden behielden. Richard Price: „Nadat de marrons in Suriname van de plantages wegvluchtten konden zij zich ver weg in de bossen vrij ontwikkelen. Zwarte Amerikanen bleven in slavernij en ook waren er relatief veel meer witte kolonisten op de Amerikaanse plantages. Dat betekent dat zwarte Amerikanen onder de constante invloed waren van de dominante samenleving. Ook lag het sterftecijfer onder slaven in Suriname veel hoger, reden dat er steeds nieuwe slaven uit Afrika naar Suriname werden aangevoerd. In Amerika was dat niet nodig door het hoge geboortecijfer: onder de tot slaaf gemaakte zwarte bevolking waren al snel weinig Afrikanen meer.”

In de VS was dan ook veeleer sprake van acculturatie, onderstreept Richard Price, dat wil zeggen dat er reeds een dominante samenleving is waaraan de ander zich aanpast. Die opvatting van Price leidde in de jaren zeventig tot een felle polemiek in de VS, niet toevallig in de periode van de zwarte burgerrechtenbeweging. Aanleiding was de publicatie van het nog altijd invloedrijke boek The Birth of African American Culture, dat hij samen met collega-antropoloog Sidney Mintz schreef en dat gaat over het culturele aanpassingsproces van zwarte Amerikanen. ‘Afro-centrische’ critici meenden dat de Afrikaanse erfenis veel sterker aanwezig was gebleven dan Price en Mintz in hun boek lieten zien. „Het is ook geen ‘of-of’ discussie”, zegt Richard Price. „Je moet steeds kijken naar precieze plaatsen en perioden om te begrijpen hoe de Afrikaanse erfenissen in de Nieuwe Wereld creoliseerden in al hun variaties.”

In de VS en Europa is er een fel debat over identiteit, identiteitspolitiek en migratie. Hoe kijkt u tegen dat debat aan, met uw ervaring en onderzoek?

Richard Price: „Elk land heeft natuurlijk zijn eigen geschiedenis en gaat op zijn eigen manier met deze problemen om. In Frankrijk erkent de staat geen etnische groepen en telt inwoners niet op basis van etniciteit, iedereen is er een citoyen. Nederlanders hebben een andere geschiedenis die geen aandacht besteedt aan racisme. En de VS hebben natuurlijk een grote Afro-Amerikaanse bevolking die in de jaren zestig een steeds krachtiger stem kreeg. Daar is moeilijk een oordeel over te geven. Maar we weten dat identiteiten veranderen. Toen de Ieren halverwege de negentiende eeuw naar de VS kwamen, werden ze als zwarten beschouwd, ze werden zwart genoemd en ze werden als zwarten behandeld. En zij veranderden, ze assimileerden. Toen verdwenen de vooroordelen en de discriminatie die ermee gepaard ging.”

Als u kijkt naar het creoliseringsproces bij marrons valt er dan iets te zeggen over de ontwikkeling van identiteiten van bijvoorbeeld immigranten die de Middellandse Zee naar Europa zijn overgestoken?

Richard Price: „Sociale wetenschappers zijn niet goed in voorspellen, wel zijn ze goed in het analyseren van wat er is gebeurd of wat er nu gaande is. Ik weet dat Nederlanders bezorgd zijn over de Marokkaanse bevolkingsgroep. Ik hoorde dat de nieuwe Amerikaanse ambassadeur sprak over no-go-areas. Maar als u me toch vraagt wat er in vijftig jaar gebeurt, dan denk ik, ook als je ziet wat er elders gebeurt, dat Marokkanen zullen worden als nu de Indonesiërs in Den Haag.”

Kunnen groepen in de samenleving het beste emanciperen binnen hun eigen kring, zoals vroeger in Nederland binnen de zuilen en zoals in zekere zin ook de marrons deden, waarna ze uiteindelijk echt onderdeel van de samenleving als geheel worden?

Richard Price: „Modellen van integratie veranderen met de tijd. Mijn grootouders kwamen rond 1900 alle vier, onafhankelijk van elkaar, naar Amerika als onderdeel van een grotere immigratie van Joden uit Rusland, Litouwen enzovoort. In die tijd leerden hun kinderen geen Russisch en Jiddisch. Ze spraken alleen Engels. Het idee was dat ze hun identiteit zouden verliezen om Amerikanen te worden, in één generatie. Zo werd de generatie van mijn ouders advocaat, arts enzovoort. Dat model van snelle assimilatie bestaat vandaag niet meer in de VS. Er is nu een ander model. Als je uit Mexico komt, dan leer je je kinderen zowel Spaans als Engels spreken. Je behoudt je trots over waar je vandaan komt. Kinderen van immigranten worden opgevoed om trots te zijn op hun Mexicaans en Amerikaans zijn. Het identiteitsmodel in de VS is er nu een van een meervoudige identiteit en niet slechts één identiteit. Dat geldt ook voor genderidentiteit. Amerikanen definiëren nu zelf hun identiteiten. Je bent niet meer wat een ander je noemt. En dat is goed. Met andere woorden: de kwestie van opgelegde of zelfgekozen identiteit is belangrijk.”

Lees ook: Surinaamse marrons zijn genetisch nog Afrikanen

Maar nu zie je bijvoorbeeld bij een deel van de derde generatie Marokkaanse Nederlanders, van wie de vaders en grootvaders meer open waren naar de samenleving, dat ze zich terugtrekken in eigen kring. Hoe interpreteert u dat?

Sally Price ziet een parallel met de ontwikkelingen rond de zwarte bevolkingsgroep in de VS: „Je zag eerst dat Afro-Amerikaanse vrouwen gewoon waren om hun haar te ontkroezen om eruit te zien als de anderen. Toen kreeg je de zwarte burgerrechtenbeweging en kozen mensen voor afro-kapsels. Het is een indicatie dat gedrag onder invloed van de ontwikkelingen in de tijd evolueert.” Volgens Richard Price valt de Nederlandse samenleving ook wat te verwijten: „Een van de punten is dat Marokkaanse kinderen niet dezelfde kansen hebben als Nederlandse kinderen om dokter, journalist of advocaat te worden. Gemakkelijke antwoorden zijn er niet.”

Als je kijkt naar wat u beschreef over culturele aanpassingen, zijn geloofsovertuigingen dan de belangrijkste belemmering voor integratie?

Richard Price: „Dat hangt van het geval af. Een van de dingen die we in Frans-Guyana zagen en die ons in verwarring brachten was dat veel marrons, vooral Ndyuka’s, zich er aansluiten bij evangelische kerken waar ze verteld wordt dat hun cultuur en hun traditionele religie niet goed zijn. Dat betekent dat mensen die een half uur per korjaal [boot, oorspronkelijk een uitgeholde boomstam; red.] verwijderd zijn van hun oorspronkelijke dorp, niet naar de begrafenis van hun grootmoeder gaan. De dominee vertelt hun dat ze dan gevaar lopen door hekserij. Zij worden van hun eigen religie en cultuur afgesneden. Maar het is wel hun keuze. Ze leven niet meer in die dorpen en niet meer op de manier waarop ze waren georganiseerd, ze worden nu modern en onderdeel daarvan is het christendom.”

Op de vraag of de antropologie nog een missie heeft, hoeven de Prices niet lang na te denken. Vorig jaar nog publiceerden ze hun boek Saamaka Dreaming, dat niet alleen een terugblik is op hun observerende participatie onder Saramakaners maar ook de antropologie van de laatste halve eeuw onder de loep neemt. De aandacht van de antropologie moet zich volgens de Prices meer richten op bestudering van de moderne samenleving om zo bij te dragen aan oplossingen voor bijvoorbeeld het integratieprobleem – iets wat de laatste jaren overigens al meer gebeurt. „Als je groepen als Marokkanen of Turken werkelijk wilt helpen zou je dat moeten doen”, zegt Richard Price. Hij wijst op het pleidooi van antropoloog Laura Nader, die aan Berkeley doceerde: „Zij schreef al veertig jaar geleden over de noodzaak van studying up. Dat betekent dat je niet alleen ‘primitieve’ volken bestudeert, maar ook de elite, grote ondernemingen, het gedrag van handelaren op de effectenbeurs en hun lifestyle. Of bijvoorbeeld wat Gloria Wekker doet, die probeert te bestuderen hoe Nederlanders over racisme denken. Een ander hoeft dat natuurlijk niet op dezelfde manier te doen. Hoe meer je begrijpt hoe dingen werken, des te meer ben je in staat iets te verhelpen.”

    • Dirk Vlasblom
    • Hans Buddingh'