Merlijn Doomernik

Alex van Warmerdam: Niet over mijn tentoonstelling! Dat is zo illusie-ontnemend

Alex van Warmerdam | Interview

Binnenkort toont filmhuis Eye een tentoonstelling van het werk van regisseur Alex van Warmerdam. Oud werk vindt hij minder interessant, dus maakte hij bijna alles nieuw.

Dat was nog eens een onweerstaanbaar verzoek: of hij een tentoonstelling zou willen maken, geheel naar eigen idee. Alex van Warmerdam (65) hoefde er nauwelijks over na te denken. „Ik vond het meteen een opwindende vraag, want zoiets had ik nog nooit gedaan.” Op het moment dat we elkaar spreken, in de zonovergoten achtertuin van zijn huis – een voormalig postkantoor in Amsterdam – zijn alle ruimtes van Eye nog leeg. Maar vanaf 10 juni kan iedereen zelf ronddwalen in de wondere wereld van Van Warmerdam, te midden van curieuze kamers, geschilderde projecties en een blik op de bodem van zijkanaal B.

Maar hoe praat je over een tentoonstelling die nog helemaal moet worden opgebouwd en ingericht? Misschien aan de hand van de tentoonstellingsbrochure? Van Warmerdam begint direct moeilijk te kijken en op zijn stoel te schuiven. „Daar begint het gesodemieter al.” Het zoekgeraakte meisje? Wat dat straks wordt? Hij zucht diep. „We gaan toch niet de hele tentoonstelling bespreken? Dat is zo illusie-ontnemend…” Het mocht in elk geval geen standaard-expositie worden. „Ik was een tijd geleden naar de Fellini-tentoonstelling. Daar lag zijn dromenboek, opengeslagen. Roerloos in een vitrine, zoals dat meestal gaat bij tentoonstellingen. Ik dacht: waarom zou zo’n boek niet uit zichzelf kunnen bladeren? Dan zou ik op elke bladzijde iets kunnen schilderen. Zo’n boek zit nu in de tentoonstelling.”

Het is vrijwel allemaal nieuw werk, speciaal ontworpen voor de tentoonstelling in Eye. Alleen Gaper – een op een kussen geprojecteerd hoofd dat doorlopend gaapt – is eerder te zien geweest. „Als je er lang naar kijkt, ga je vanzelf gapen.” Op grote schermen zullen ook fragmenten uit zijn bioscoopfilms te zien zijn. Dat is voor hemzelf dan ook meteen het minst interessante deel van de expositie. „Want dat is oud werk.”

Als je er lang naar kijkt, ga je vanzelf gapen

Hij zag wel tot zijn verbazing dat er in de tentoonstelling veel elementen zitten uit zijn films. „Onbewust doe je toch aan zelfplagiaat. Bepaalde onderwerpen komen steeds maar terug: ‘onder water’, ‘een aquarium’, ‘zwarte mensen’, die in mijn oude werk nog ‘negers’ worden genoemd. In die zin is het ook gedateerd.” Nogal confronterend. Want hij vergeet veel van wat er achter hem ligt. „Mijn geheugen reikt niet veel verder dan mijn laatste film. Als Annet” – Malherbe, zijn vrouw – „en mijn zonen mijn nieuwe scenario lezen, betrappen ze mij altijd op dingen die ik al eerder gedaan heb. ‘Wéér een scene onder de grond?’ zeggen ze dan. Ter verdediging voer ik dan maar Cézanne aan, die de Mont Saint Victoire meer dan zestig keer schilderde. Maar ik luister wel naar ze en schrap zo’n scène.”

Vreselijk…

Hij houdt er niet van om zijn oude werk terug te zien, zegt Van Warmerdam. Eén film hield hij zelfs bewust helemaal weg van de tentoonstelling: Kleine Teun, uit 1998. Daar kan hij zelf nog steeds niet goed naar kijken. „Ik heb twee keer een toneelstuk van mezelf verfilmd: Kleine Teun en De laatste dagen van Emma Blank. Kleine Teun was de eerste verfilming. Ik zie het hele weefsel van dat toneelstuk door die film heen. Ik hóór al die toneelteksten.” Met een getergd gezicht: „Vreselijk…. Ik had veel meer tekst moeten schrappen. Bij Emma Blank ben ik daar veel rigoureuzer in geweest. Bij Kleine Teun denk ik voortdurend: ‘hou je mond! Knip het eruit!’ En de taal is gekunsteld, vol archaïsche woorden. Dat werkt op toneel goed, maar in een film minder. Hitchcock heeft ook toneelstukken verfilmd. Maar die liet-ie dan wel consequent in één ruimte spelen. Dat was een wet, volgens hem: als je een toneelstuk verfilmt, moet je niet proberen er iets anders van te maken. Ik dacht destijds waarschijnlijk: ‘Ach, dat kan zo’n Hitchcock wel zeggen, maar ik doe dat anders’.” En zijn eigen aandeel als acteur in Kleine Teun voelt voor hem ook aan als zilverpapier op een oude vulling. „Ik kijk naar Alex van Warmerdam die probeert een boerenjongen te spelen, maar ik denk de hele tijd: ik geloof er niets van.”

Ik dacht destijds waarschijnlijk: ‘Ach, dat kan zo’n Hitchcock wel zeggen, maar ik doe dat anders’

Waaraan hij kan merken dat zijn vakmanschap door de jaren gegroeid is? Van Warmerdam lacht smalend. „Dan ga je ervan uit dat dat ook zo ís. Dat betwijfel ik.” Want Grimm, zijn film uit 2003, is in Eye evenmin te zien. Die is hij met editor Job ter Burg aan het hermonteren. „Direct na de première had ik al het idee dat er een veel betere film in zat.” In de film, waarin Halina Reijn en Jacob Derwig de hoofdrol spelen, zat aanvankelijk een bruiloftsscène. Gedraaid in Spanje, in aanzienlijk minder dagen dan gepland, want het budget was al aardig aan het opraken. „En ik vond tijdens de montage dat je dat zág. De figuranten die de rijke bruiloftsgasten moesten spelen waren letterlijk van de straat geplukte armoedzaaiers. Ik zat er met een knoop in mijn maag naar te kijken. Vlak voor de première heb ik die hele scène er in een opwelling uit gegooid. Anderen riepen nog: doe het niet. Achteraf had ik ’m erin moeten laten.”

In de nieuwe montage is de scène teruggekeerd. Uit al het ruwe materiaal – dat bewaard was gebleven – is een nieuwe versie gesneden, scènes zijn toegevoegd of uitgebreid, andere juist drastisch ingekort. „Ik heb de film laatst aan Jacob Derwig laten zien. Die zei dat je nu veel beter in het verhaal komt. Het is nu allemaal strakker en kordater verteld. Dus als je het over vakmanschap hebt: Grimm is veruit de onhandigste film die ik gemaakt heb. Terwijl het toch al mijn vijfde was.”

De jurk

Soms is hij ook aangenaam verrast wanneer hij een film van vroeger terugziet. „Ik heb De Jurk jaren nadat-ie uitkwam bij toeval een keer op televisie gezien. Ik had er nauwelijks nog herinneringen aan, dus ik keek zonder veel verwachting. Die film vond ik nog heel vitaal, met een mooi golvend verhaal. En dat De Noorderlingen een speciale film is, dat zie ik zelf ook wel. Dat is echt een sterke film.” Al is hij ook bij die film bepaald niet onder de indruk van zijn eigen spel. „Dan zie ik mezelf acteren, een beetje gestoken spelend. Komiekerig.” Hij staat op, doet het voor; houterig bewegend, met hoekige, grote gebaren en handen die in één keer kolenschoppen worden. „Dan denk ik: doe eens rustig, man.”

Laatst zag hij Abel terug, zijn iconische debuutfilm uit 1986. Hij was hoofdgast op het Alex van Warmerdam-festival in Kiev. Dat klinkt als een mop, zegt hij, maar het bestaat echt. „Geloof het of niet, maar al mijn films zijn daar uitgebracht en heel populair.” En daar in Kiev zag hij zijn allereerste bioscoopfilm terug, ondertiteld in het Oekraïens, te midden van een paar honderd Oekraïners. „Ik vond nog steeds dat er sterke scènes en beelden in zitten. Maar aan het eind gaat Abel Victor achterna en rennen ze rondjes om de tafel. Dat is poppenkast. Dat is het nadeel als je eenmaal met een film aan het hermonteren bent geslagen; je handen blijven daarna jeuken.”

Geloof het of niet, maar al mijn films zijn daar uitgebracht en heel populair

Veel verstand van de technische kant van filmmaken heeft hij nog altijd niet. Vraag hem niks over camera’s, lenzen of focus. „Technisch ben ik een kleuter. Ik roep tijdens het draaien weleens voor de grap: ‘Gooi de 33 er maar op’. Die bestaat niet eens.” Terwijl hij als beeldend kunstenaar zijn techniek wel degelijk lijkt te beheersen, zeg ik. Nou, dat valt nog lelijk tegen, reageert Van Warmerdam. „Mijn technische kennis is heel beperkt. Hoe maak je je verf aan? Hoe schilder je met olieverf zonder dat-ie gaat vlekken? Dat leerde je niet op de Rietveld-academie. Als je naar Marten en Oopjen van Rembrandt kijkt… dat is intimiderend goed. Dat zwart is fabuleus; dat zit vol leven. En nergens ook maar een lelijke vlek te bekennen. Terwijl er bij mij altijd weer zo’n gore vetvlek opduikt. Die gasten wisten hoe dat moest. De gezellen leerden in de ateliers alles wat je weten moest. Ik vraag weleens aan de jongen in de schilderwinkel: hoe zit dat ook alweer met titaanwit? Dat schrijf ik dan braaf op, om het vervolgens weer totaal te vergeten.”

En dan te bedenken dat hij kleurenblind is. „In zekere mate wel, ja. Bij de grading (de kleurcorrectie na de montage) zegt mijn cameraman weleens: ‘In het gezicht zit iets te veel groen’. Dat zie ik niet. Ik zie wel heel goed of het beeld krachtig is, contrast heeft, maar dit soort subtiliteiten ontgaan me. Als iemand een muur wit heeft geverfd met een zweempje roze erdoor, valt mij dat niet op.”

Ik roep tijdens het draaien weleens voor de grap: ‘Gooi de 33 er maar op’. Die bestaat niet eens

Schilder worden was zijn jongensdroom. Zijn vader was toneelmeester en decorontwerper. Hij zag hem regelmatig met kwasten in de weer. Thuis in de boekenkast stond zo’n rijtje met kunstboeken. Van Warmerdam moet een jaar of zes geweest zijn toen hij al bladerend voor het eerst een Van Gogh zag. Hij was sprakeloos. „Die sterrenhemel met die cypres hakte er enorm in.” Films deden hem niet veel, ook niet toen hij wat ouder werd. Toneel al evenmin. Ook de grote acteurs die hij door het werk van zijn vader van dichtbij zag, riepen geen toneelambitie in hem op. Wat hem nog het meest is bijgebleven, is een schoolvoorstelling die hij zag als dertienjarige met in de hoofdrol een jongen van zijn eigen leeftijd, een jongen „met een manke poot, met zo’n verhoogde schoen. Die jongen hád het gewoon, ik wilde hém zijn. En ik wilde ook dolgraag zo’n schoen.” Toen hij niet lang geleden in een interview over die jeugdherinnering vertelde, kreeg hij prompt een mail van diezelfde jongen. „Hij was inmiddels een ‘oude man’ geworden, net als ik. Hij werkte op een bank, maar was nog steeds amateurtoneelspeler. Ik heb die correspondentie dood laten bloeden. Want ineens ging die hele magie verloren.”

In 1972 richtte hij met anderen het toneelgezelschap Hauser Orkater op. Toen ze samen met Frans Weisz een film maakten, sloeg de filmliefde definitief toe. Hij ging in die dagen vaak twee keer per dag naar de bioscoop. „Ik zag werkelijk alles. Van Pim (de la Parra) en Wim (Verstappen) tot Frans Weisz en Paul Verhoeven. Vooral bij de films van Pim en Wim dacht ik: ‘Dat moet beter kunnen’. Toen ben ik Abel gaan schrijven.” Inmiddels is hij dertig jaar en negen films verder. In het najaar staat de draaiperiode van zijn tiende film gepland. Nee, daar gaat-ie niks over zeggen. „Behalve dat het heavy stuff is. Hij wordt duurder dan mijn vorige films, en dat maakt het lastig.”

Paul Verhoeven

Tien jaar geleden haalde hij in een talkshow op het Nederlands Film Festival in Utrecht onverwacht hard uit naar Zwartboek van Paul Verhoeven. „Zwartboek is een echte kutfilm”, zei hij toen tegen presentator Matthijs van Nieuwkerk, „gemaakt door twee vieze oude mannen. Verhoeven kan helemaal niet filmen.”

Waar die sneer vandaan kwam? „Het was cafépraat. In de basis meende ik het, maar ik gooide er wel een paar scheppen bovenop. Na afloop zei Matthijs: ‘Nou, hier ga je vast nog wel iets over horen’. Ik zei nog onnozel: ‘Hoezo?’

Hij wees me op de camera’s achterin de zaal. ‘Leef jij in het stenen tijdperk dan?’ Ik had me werkelijk geen moment gerealiseerd dat het naar buiten zou komen.”

Of hij achteraf spijt had van zijn opmerkingen. Zijn ogen beginnen baldadig te glinsteren. „Bijna. Niet helemaal.” Al was het wel even onhandig dat zowel Verhoeven als Van Warmerdam net dat jaar genomineerd werd voor een Gouden Kalf; de een voor Zwartboek, de ander voor Ober. „We zouden allebei op de eerste rij belanden, misschien wel naast elkaar. Ik schreef ’m een brief, waarin ik uitlegde dat ik er weliswaar geen woord van terugnam, maar dat hij het toch voornamelijk moest opvatten als kroegpraat. Ik kreeg geen enkele reactie. Ik zei tegen Annet: ‘Als ik hem voordien niet gesproken heb, ga ik niet’. Op de dag van de uitreiking heb ik hem opgebeld, om de kou een beetje uit de lucht te halen. Dat werd een nogal pittig gesprek. Hij werd echt kwaad, riep: ‘Je bent een klootzak’ en hing op. Ik stond op het punt om mijn nette pak uit te trekken en thuis te blijven, toen Annet zei: ‘Als je niet gaat, ben je een lafaard’. Uiteindelijk zat ik helemaal op de rechterhoek van de rij en Paul op de linker. En hij won natuurlijk alle Kalveren. Ik kreeg er een voor het scenario van Ober. Na afloop werden alle winnaars op het toneel geroepen voor een foto. Ik liep op hem af en zei: ‘Je mag me dan wel een klootzak noemen, maar dat belet me niet je te feliciteren’. Toen gaf-ie me een kus, en verontschuldigde zich dat hij mij een klootzak had genoemd. Daarmee was het voor eeuwig opgelost.”

Vorig jaar werd hij vijfenzestig. Ja, dat was toch wel een memorabel moment. Want hoe je het ook wendt of keert: de dood komt toch steeds dichterbij. „Dat besef is er elke dag. Ik begin bij rouwadvertenties direct te rekenen. En tegenwoordig zijn ze steeds vaker jonger dan ik. Dat is ook zoiets raars: vroeger waren de ministers altijd ouder dan jij. En nu kunnen ze mijn kinderen zijn. Ik denk in films. Een film maken duurt drie tot vier jaar. Dan ben ik alweer achtenzestig. Dat kan me benauwen. Soms denk ik: als ik straks doodga, heb ik dan 12 films gemaakt of 15? Op die tentoonstelling in Eye zie je het ook. Het thema ‘slapen’ komt daar een paar keer voorbij. Maar in wezen is het de dood die daar voortdurend opduikt. Mijn oudste kleinkind is nu anderhalf. Ik vraag me vaak af: ben ik er nog wel als hij straks naar de middelbare school gaat?”

Ik begin bij rouwadvertenties direct te rekenen

Dat zijn films er dan nog wel zullen zijn, biedt geen enkele troost. „Welnee”, zegt hij honend. „Troost? Dat die jongens zeggen: ‘Kijk, daar heb je opa. En dat is oma. Leuk hè?’ Ik vermoed dat je daar onder de grond toch betrekkelijk weinig aan hebt.”

L’histoire kaputt van Alex van Warmerdam, Eye Amsterdam, vanaf 10 juni
    • Coen Verbraak