David Graeber in zijn kamer op de London School of Economics

Foto Manuel Vazquez

‘Zowel links als rechts denkt: hoe meer banen hoe beter’

David Graeber De Amerikaanse antropoloog van verzet en revolutie, nu hoogleraar in Londen, schreef een nieuw boek over zinloze banen: ‘Betekenisvol werk, zoals dat in het onderwijs of de zorg, wordt slecht betaald omdat het niet als echt werk wordt gezien.’

Iedereen op de afdeling antropologie van de London School of Economics (LSE) heeft het telefoonnummer van David Graeber, want het komt regelmatig voor dat hij bezoek krijgt terwijl de professor zelf in geen velden of wegen te bekennen is. Na een paar telefoontjes komt hij aanlopen: jasje in de kreukels, verfrommelde papieren onder de arm, haar in de war, opgewekt.

David Graeber (New York, 1961) is de filosoof van revoluties en verzet. Hij was de lieveling van de Occupy-beweging in New York. En toen in 2015 in Amsterdam het Maagdenhuis bezet werd, kwam Graeber over om onder luid applaus de studenten toe te spreken.

Zijn boek Direct Action: An Ethnography uit 2015 leest als een handboek voor geweldloos verzet. Bij Occupy organiseerde hij de eerste General Assembly, waar demonstranten elkaars woorden luidkeels herhaalden, als een soort menselijke luidspreker. En Graeber zou de term ‘the 99%’ verzonnen hebben, hoewel hij dat zelf meer als groepsprestatie ziet.

Activisme en zijn wetenschappelijke carrière lopen bij Graeber altijd door elkaar, voor zover dat gescheiden activiteiten zijn (hij zelf zou zeggen van niet). Zijn loopbaan als hoogleraar aan Yale werd in de kiem gesmoord, volgens hemzelf en collega’s omdat hij een aantal studenten probeerde te verenigen in een studentenvakbond. Nu zit de Amerikaan aan LSE, ooit de universiteit in Londen met een linkse signatuur, en nu een prestigieuze elite-universiteit.

Graeber voelt zich er goed en is uitermate productief. Zijn favoriete thema’s: de noodzaak van utopisch denken, de heimelijke geneugten van bureaucratie, het universeel basisinkomen, het gebrek aan vooruitgangsdenken in de neoliberale samenleving en de vloek van bezuinigingen. Thema’s die in Nederland werden geïmporteerd door onder meer Rutger Bregman en Joris Luyendijk.

Graeber noemt zich revolutionair en anarchist. ‘Hopelijk’, schrijft hij in een van zijn essays, ‘blikken we in de toekomst geamuseerd terug op dit moment in de geschiedenis en blijkt de grote concentratie van macht bij grote bedrijven en de overheid iets van het verleden’.

In mei verscheen zijn nieuwe boek: Bullshit Jobs. A theory, een uitgewerkte versie van zijn spraakmakende essay On the Phenomenon of Bullshit Jobs. A Work Rant (2013). Volgens Graeber hebben grote groepen in de samenleving werk waarvan ze zelf het nut niet inzien. Ook in Nederland, waar vier op de tien werknemers hun baan zinloos noemen, zo blijkt uit een voetnoot. We zijn werk gaan zien als doel op zichzelf, in plaats van een methode om iets gedaan te krijgen. „En daar heeft de hele samenleving zich naar georganiseerd”, vertelt hij, wanneer we in zijn opgeruimde kantoor zitten, waar alles verkleurd is door de zon en veel stof dwarrelt.

„Ik heb het niet gewoon over een shit job, zoals een grafdelver of een schoonmaker van dit kantoor. Zij worden slecht betaald en slecht behandeld, maar ze weten dat wat ze doen belangrijk is. Dat is een essentieel onderdeel van wat werken zou moeten zijn: weten dat de wereld er slechter aan toe zou zijn als jij je werk niet zou doen. Een bullshit job is een baan waarvoor je goed betaald wordt, en waarvoor je met respect behandeld wordt, maar die ook aan je knaagt, omdat je eigenlijk vindt dat je baan niet zou moeten bestaan.”

Waarom neemt een werkgever iemand aan om een ‘bullshit job’ uit te voeren?

„Tsja.. Dat is de grote vraag, hè? Want een bullshit job is precies wat niet hoort te bestaan in een kapitalistische staat. De standaardgrap is natuurlijk dat in het communisme gewerkt werd om het werken. In het kapitalisme blijkt het net zo erg, zo niet erger. Het enige waar links en rechts het altijd over eens zijn, is hoe meer banen hoe beter. Het maakt niet uit wat die banen voorstellen. Dus de druk om banen te scheppen komt uit de politiek. Bovendien staat het hebben van veel werknemers voor grote bedrijven gelijk aan prestige.”

Toch zijn er aan de lopende band bezuinigingen. Je had in de media moeten werken de afgelopen tien jaar! Er kunnen altijd meer mensen weg.

„Werkgevers zijn er trots op als ze lean en mean zijn. Het probleem is dat wanneer de bijl valt, het altijd de zinnige functies zijn die worden aangepakt. Bij de post zijn dat eerst de mensen die daadwerkelijk de post bezorgen. De personeelsadviseur met een onduidelijke functie mag altijd blijven zitten. Vaak gaat het in reorganisaties niet om efficiëntie, maar om politieke macht. Het lijkt in die zin op belasting. De last komt altijd terecht bij de mensen die het minst weerbaar zijn.”

Denkt u dat vrijemarktprincipes, in theorie, het bestaan van ‘bullshit jobs’ moeten voorkomen?

„Er is een principe dat ik de ijzeren wet van het liberalisme noem. Elke hervorming die de bureaucratie zou moeten verminderen door de vrije markt erop los te laten, zorgt voor meer regulering, bureaucraten en papierwerk. Mijn favoriete statistiek gaat over de tien jaar ná de val van de Soviet-Unie. Dat was de tijd van abrupte liberalisering. Het percentage mensen in dienst van de overheid nam in die periode toe met 25 procent.”

Gelukkig hebben we straks robots die onze ‘bullshit jobs’ overnemen.

„Dat denken we al honderd jaar. Keynes had het over technische werkloosheid. Hij voorspelde dat we werkweken zouden krijgen van vijftien uur. Het is niet gebeurd. Ik voorspel je dat technologische vooruitgang nooit zal zorgen voor minder werk. We zorgen wel weer voor nieuwe zinloze banen. Er is op dit gebied een verschil tussen fabrieksarbeiders en wat ik noem de zorgende klasse (caring labour). Daartoe reken ik naast de ziekenzorg bijvoorbeeld het onderwijs. Terwijl fabrieken dankzij de introductie van nieuwe technologie goedkoper gaan werken, wordt zorgende arbeid juist duurder. Dat komt doordat je onderwijs en zorg niet kunt kwantificeren. En toch willen we dat. Dus we dwingen leraren en verplegers om al hun werkzaamheden op formulieren in te vullen. De introductie van technologie en digitalisering zorgt daar voor meer werk dan ooit. Iedereen klaagt over dat papierwerk.”

Is de ‘bullshit job’ niet zo’n onderwerp waar nooit iets aan gaat veranderen, want waar moet je beginnen?

„We zitten in een vicieuze cirkel. In Groot-Brittannië is de grap: we beginnen een comité om uit te zoeken waarom we zoveel comités hebben. Er zijn twee manieren om hier uit te breken. De eerste ligt voor de hand: minder uren werken. Maar dat is vooral technisch heel lastig, want mensen blijven met elkaar concurreren. Een betere oplossing, waar ik al jaren voor pleit, is het universeel basisinkomen.”

Wat is de stap van een universeel basisinkomen naar minder ‘bullshit jobs’?

„Haal met het basisinkomen de grootste druk weg om geld te verdienen en het wordt veel aantrekkelijker om betekenisvol werk te doen. Het is een eerste stap om werk en beloning los van elkaar te zien. Uiteindelijk wil iedereen betekenisvol werk doen. Van een basisinkomen gaan mensen niet stoppen met werken. In de gevangenis willen de gedetineerden veel liever toiletten schoonmaken of de was doen dan de hele dag niks doen. Het is een straf om niet meer te mogen werken.”

Een mooi begrip uit uw boek vond ik ‘moral envy’, morele afgunst. Dat had ik nog niet eerder gehoord.

„Ik ook niet! Het verbaast me dat dit niet een groter onderwerp is. Morele afgunst richt zich op mensen die overduidelijk goed proberen te doen. Ik had een vriend, een activist die zijn leven lang armoede bestreed. Andere activisten namen hem kwalijk dat hij voor zijn ex-vrouw en zijn kind een appartement betaalde. Hoezo gaf hij dat geld niet aan de armen? Terwijl hij al bijna al zijn geld weggaf. Wanneer je goed doet, moet je aan een absurd hoge standaard voldoen. Je moet perfect zijn. Dit is zo’n cynische tijd.”

Wat heeft dat met ‘bullshit jobs’ te maken?

„Het zorgt ervoor dat iemand met een betekenisvolle baan, lesgeven bijvoorbeeld, niet mag vragen om geld en status. Betekenisvol werk wordt namelijk niet als echt werk gezien. Voor iemand uit een Amerikaans arbeidersmilieu zijn er twee opties: of je kan een zinnige baan doen, of je neemt een bullshit job waar je wel goede compensatie voor krijgt. Moreel prestigieuze banen die goed verdienen zijn uitsluitend bereikbaar voor de culturele elite. Het onderwijs is de grote ongelijkmaker. Om toe te treden tot de culturele elite moet je naar een dure universiteit. En dat kunnen alleen telgen van elite-families betalen. Rijk worden is moeilijk, maar kan nog wel. Rijk worden met een zinvolle baan kun je vergeten.”

In het laatste hoofdstuk schrijft u: de eerste keer dat er actie werd ondernomen tegen deze zaken was Occupy.

„In zekere zin was Occupy de opstand van die zorgende klasse. Het protest is sindsdien niet opgehouden. In Amerika staken de leraren voortdurend. Ik was vorige week in Frankrijk, waar toen verplegers staakten.”

Maar je moet toch meer hebben dan afzonderlijke beroepsgroepen die meer geld voor zichzelf eisen?

„Dat is waar, maar je ziet dat in die groepen de grote onvrede zit. Occupy was een beweging van leraren, studenten en andere groepen uit de zorgende klasse. Waarom hun boodschap nog niet is doorgedrongen tot de politiek is een lang verhaal, maar laat ik er één ding over zeggen: een belangrijke reden waarom rechts zoveel succesvoller is dan links in Amerika, is omdat rechts begrijpt dat ze hun radicalen moeten koesteren om zelf redelijk te lijken.”

Hoe reageerde links op Occupy?

„In het begin had de beweging de steun van de Democratische partij. Ze wilden dat Occupy aan tafel zou aanschuiven. Maar het punt van Occupy is juist dat de politiek zelf corrupt is. Niemand wilde aanschuiven. En toen was het gedaan met de steun. Ergens werd een ruit ingegooid, in Berkeley geloof ik. Let wel, er waren meer dan tweeduizend Occupykampen in Amerika, allemaal vreedzaam. En die gebroken ruit werd aangegrepen om de politie in te zetten. Van de ene op de andere dag waren de liberale politici en tv-ploegen verdwenen. In New York sneuvelde ook een ruit. Eén ruit. Weet je waardoor? Omdat de politie een activist met zijn hoofd door het glas ramde. De video staat op YouTube, maar was niet in de media te vinden. Het gesneuvelde glas in Berkeley wel.”

Stemt het u niet ook optimistisch dat er zoveel georganiseerde tegenactie is?

„Oh, ja zeker. Het heeft ook allemaal met elkaar te maken: de Arabische lente, protesten in Athene, Spanje. Filosoof Thomas Kuhn schreef dat een wereldrevolutie een paradigmaverandering is. Wat het ene moment als acceptabel wordt ervaren, is dat het volgende moment niet meer. Maar dat heeft tijd nodig. De studenten in 1968 wisten pas jaren later wat hun protesten precies hadden veroorzaakt. Het bleek een kantelpunt. 1848 was zo’n jaar, 1917, 1968. En 2011 zal ook zo’n jaar blijken te zijn.”

    • Tim de Gier