Syrische vluchtelingen voelen zich thuis, maar niet gelukkig

Zes stellingen over Syrische vluchtelingen Het Sociaal en Cultureel Planbureau onderzocht hoe het gaat met Syrische statushouders in Nederland: niet zo goed.

Syrische vluchtelingen in Nederland Foto ANP

De integratie van Syriërs in Nederland verloopt moeizaam.

Negentig procent leeft van een bijstandsuitkering, ruim veertig procent heeft psychische problemen en is vaak zenuwachtig, somber en neerslachtig. Daar staat tegenover dat bijna tachtig procent van de Syriërs zich thuisvoelt in Nederland. Gemiddeld geven ze hun leven in Nederland een 8,5. 93 procent verwacht over vijf jaar nog in Nederland te wonen.

Dit blijkt uit het rapport Syriërs in Nederland van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) dat deze vrijdag is gepubliceerd en is uitgevoerd in opdracht van verschillende ministeries. Onderzocht is hoe het gaat met de 44.000 Syriërs die tussen 1 januari 2014 en 1 juli 2016 naar Nederland kwamen en verblijfspapieren kregen. Ze ondervroegen voor het onderzoek 3.200 Syrische statushouders.

Zij vormen verreweg de grootste groep statushouders (asielzoekers met verblijfspapieren), van de in totaal 70.000 vluchtelingen die tussen januari 2014 en 1 juli 2016 in Nederland kwamen wonen.

De SCP-onderzoekers: „We weten nog heel weinig over deze groep.”

Zes stellingen getoetst aan de hand van het rapport.

  1. Bijna alle Syriërs zitten in de bijstand

    Dat klopt. Negentig procent van de Syriërs leeft van een bijstandsuitkering. Dit is niet verrassend, schrijven de onderzoekers. De Syriërs verblijven nog niet lang in Nederland, gezinshereniging en de inburgering vragen tijd en energie.

    Van de Syriërs die in 2014 kwamen heeft 12 procent werk, van de Syriërs die migreerden in 2016 is dat zeven procent.

    Werkgevers zouden iets flexibeler moeten zijn, zegt Petra Wolters. Zij richtte begin dit jaar Meraki Uitzendbureau op om vluchtelingen aan werk te helpen. „Een vluchteling heeft nooit precies de opleiding die nodig is voor een bepaald vak”, zegt Wolters. „Een kok, een automonteur, een ict’er, zij moeten laten zíen wat ze kunnen. Als werkgever moet je hun die kans willen bieden.”

    En als er een aanvullende opleiding nodig is, zegt Wolters, laat die specifiek zijn. „Een hele hbo-opleiding eisen, is niet realisitisch.”

    Zij merkt dat veel Syriërs dolgraag aan de slag willen maar dat vooral de hogeropgeleiden niet realistisch zijn over de kansen. „Ook al heb je business administration gestudeerd, het taalniveau zal nooit zo worden dat je op dat niveau in Nederland kunt werken. Dat verwachten ze vaak wel. Schoonmaken willen ze absoluut niet.”

  2. Alle Syriërs zijn hoogopgeleid.

    Niet dus. Er kwamen niet alleen Syrische tandartsen en ingenieurs naar Nederland. Om het opleidingsniveau van de Syriërs in Nederland te achterhalen onderzocht het SCP het hoogst behaalde diploma (uit Syrië of een andere land) van de Syrische statushouders. Eenvijfde behaalde een diploma in het hoger onderwijs (hbo of universiteit). En eenderde van de statushouders voltooide het basisonderwijs. Kortom: „Het idee dat de Syrische groep overwegend uit hogeropgeleiden zou bestaan klopt dus niet.” Belangrijke kanttekening: het aandeel Syriërs dat in het thuisland hoger onderwijs heeft gevolgd, maar nog niet heeft afgemaakt, bijvoorbeeld door de uitgebroken oorlog, ligt een stuk hoger: namelijk op 31 procent.

    Lees ook: Over psychische klachten spreek je niet

    Zij kunnen hier als ze Nederlands hebben geleerd onderwijs volgen. Het wordt een flink karwei voor de gemeenten om de statushouders naar onderwijs toe te leiden. Want dat lukt nu nog maar matig, volgens een inventarisatie van Kennisplatform Integratie en Samenleving (KIS) onder 256 gemeenten. Die gemeenten schatten in 2016 dat een op de drie statushouders (niet alleen Syriërs) een opleiding in het middelbaar of hoger onderwijs zou volgen. Maar – een tegenvaller – in werkelijkheid deed slechts twaalf procent dat. „Het bezit van een Nederlands diploma is misschien wel de belangrijkste factor achter succesvolle integratie van statushouders”, aldus het SCP.

  3. Syrische statushouders hebben meer gezondheidsproblemen dan Nederlanders.

    Helaas wel. Uit eerder onderzoek bleek al dat vluchtelingen een grotere kans lopen op (psychische) gezondheidsproblemen. De nare ervaringen in het thuisland, de vlucht over zee en land (gemiddeld een jaar, waarbij mishandeling en afpersing eerder regel is dan uitzondering, volgens het SCP), de achterblijvende familie en het wachten in de asielopvang: ze vergroten de kans op gezondheidsproblemen.

    Dat blijkt ook uit de cijfers: 4 op de 10 Syriërs zijn, volgens het SCP „psychisch ongezond”: vaak „erg zenuwachtig”, „neerslachtig en somber” en „zo erg in de put dat niets” ze kan opvrolijken. Er zijn geen duidelijke verschillen tussen de leeftijdsgroepen onderling, wel scoren vrouwen iets slechter dan mannen. Dit is bijna drie keer zoveel als bij de Nederlandse bevolking. „Verschillen in psychische gezondheid tussen mensen uit verschillende culturen moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd”, schrijft het SCP. Maar met de vlucht in het achterhoofd en het onzekere bestaan in Nederland, „wekt het geen verbazing dat velen van hen het psychisch zwaar hebben”. Ook qua lichamelijke gezondheid scoren de Syriërs minder goed dan Nederlanders: bijna de helft heeft last van overgewicht (1 op de 3 in Nederland) en dit percentage stijgt met de leeftijd.

    Ondanks de psychische klachten weten de Syrische statushouders de weg naar de psychiater maar moeilijk te vinden: 7 procent had contact met een psychiater. Volgens psychiater Aram Hasan is dat niet alleen uit schaamte. Veel Syriërs hebben een verkeerd beeld van de psycholoog of psychiater, zegt hij: „Ze denken dat het een beetje praten is, dat kun je ook wel met vrienden doen.”

  4. De meeste Syriërs klitten samen.

    Nee, dat klopt niet. Syriërs met verblijfspapieren beperken hun sociale contact niet tot koffiedrink-afspraken in eigen kring. Tweederde van de Syriërs heeft wekelijks minstens één keer contact met Nederlandse vrienden of kennissen, volgens het SCP, ongeveer even vaak als Turkse, Marokkaanse en Surinaamse Nederlanders. Dit contact is onder meer belangrijk voor het sneller leren van de taal, het vinden van een baan en wegwijs worden in het nieuwe land. Naast het contact met de Nederlanders heeft het merendeel van de Syriërs contact met landgenoten in Nederland en daar buiten. Met andere migrantengroepen hebben de Syriërs juist weinig contact.

    Lees ook: Met trommels en trompetten vergeet je bij Suryana de oorlog

    Het contact met de ‘locals’ stemt deze groep statushouders positief, want het merendeel van hen zegt zich in Nederland thuis te voelen. Ze voelen zich veilig en waarderen de gastvrijheid. Ze geven het leven hier een 8,5 – ongeveer twee punten hoger dan het oordeel van Antilliaanse, Marokkaanse, Surinaamse en Turkse Nederlanders. Maar bij deze hoge score hoort een kanttekening, schrijft het SCP: nieuwkomers zijn in het begin vaak positief en optimistisch over het ontvangende land. „Dit positieve beeld neemt doorgaans af naarmate migranten langer in het bestemmingsland wonen.”

  5. De meeste Syriërs keren na verloop van tijd weer terug naar Syrië.

    Nee. 93 procent van de Syriërs verwacht over vijf jaar nog in Nederland te wonen. Willen ze dan niet terug naar Syrië als het veilig is? Slecht eenvijfde geeft nu aan dat ze dan weer terug zouden keren.

    Lees ook: De integratie van Syriërs blijft een grote opgave, ook voor ‘ons’

    Opvallend is dat maar heel weinig Syriërs in Nederland discriminatie ervaren. Ze denken ook dat andere migrantengroepen niet of nauwelijks worden gediscrimineerd. Een disclaimer van de onderzoekers: „Het gunstige oordeel over Nederland hangt waarschijnlijk samen met het gevoel hier veilig te zijn.” Optimisme en tevredenheid slijten vaak als mensen langer in Nederland verblijven, blijkt uit onderzoek onder andere migrantengroepen.

  6. Syrische kinderen kunnen maar moeilijk wennen in NL.

    Ouders zijn zeer positief over het leven van hun kinderen en geven het gemiddeld een 8,6. Eenderde van de Syrische ouders geeft het leven van hun kinderen een tien. Bijna alle kinderen (96 procent) voelen zich thuis in Nederland, volgens de ouders. 30 procent van de ouders zegt dat hun kind heimwee heeft.

    93 procent van de kinderen is volgens hun ouders kerngezond. Ook heeft meer dan de helft van de kinderen nooit problemen met het spreken van Nederlands.

    Hans Koster, leraar op een intensieve taalschool voor kinderen van vluchtelingen (en soms van expats) in Bussum zegt: „Kinderen moeten eerst ‘landen’ in Nederland. Na een aantal weken, soms een aantal maanden, zie je ze ontdooien. De kern is dat de school rust en regelmaat biedt. En dan zie je ze vaak na een tijdje opbloeien.”

    • Sheila Kamerman
    • Martin Kuiper