opinie

De rechtsgang faalde in de zaak-Faber, maar die is dan ook zeer feilbaar

Had de samenleving meer mogen verwachten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, toen dat in oktober 2012 de latere moordenaar van Anne Faber elf jaar cel gaf, en géén tbs? De vader van het slachtoffer stelde dit weekend de rechtspraak hard en gemotiveerd in gebreke, per open brief in de Volkskrant. Hij meent dat het hof destijds achteroverleunde, geen kritische vragen stelde, aanwijzingen voor geestelijke gestoordheid negeerde, het recidiverisico ter zijde schoof en zich neerlegde bij de weigering van de dader zich te laten onderzoeken.

De president van het hof gaf daarop deze week uitgebreid en ook persoonlijk antwoord, wat ongebruikelijk is, een precedent schept en dus in andere zaken verwachtingen wekt. In dit geval is het klassiek juridische ‘… en hier moet u het mee doen’ als niet-toereikend beoordeeld. Maar is het antwoord dat wel?

Anne werd een willekeurig slachtoffer van een veroordeelde die tijdelijk in een psychiatrische kliniek verbleef, als voorbereiding op een voorwaardelijke invrijheidstelling. De bittere consensus in de publieke opinie was dat als de man in 2012 langer was gestraft, wel dwangverpleging was opgelegd, dit nooit was gebeurd. De vader van het slachtoffer is nu, niet onbegrijpelijk, gevangen geraakt in deze constatering en richt zijn boosheid op de rechters die dit ‘lieten’ gebeuren. Wat alleen een fair verwijt is als zij dit ook hadden kunnen voorzien.

Fabers conclusie dat de „rechtsgang heeft gefaald” kan onderschreven worden. Maar dat zegt nog weinig. De rechtsgang faalt vaker, zo niet regelmatig. ‘Beveiliging’ van de samenleving moet altijd relatief worden opgevat, niet absoluut. Vrijwel alle straffen zijn tijdelijk, recidive is onuitroeibaar, nieuwe daders – al dan niet gestoord – dienen zich dagelijks aan. Strafrechtspleging is op haar best een maatschappelijke tegenkracht, geen geneesmiddel, waarvan bescheiden verwachtingen gepast zijn.

Daar heeft de samenleving echter geen boodschap aan. Er worden steeds hogere eisen gesteld aan de veiligheid die de overheid moet bieden. In dit krachtenveld ruimen grondrechten als ‘niet gedwongen kunnen worden bewijs tegen jezelf te leveren’ snel het veld. De dader wenste destijds niet mee te werken aan psychiatrische observatie, waardoor de rechter niet over een gedragsrapportage kon beschikken. Volgens de president was in dit geval de tbs-maatregel die achteraf zo voor de hand lag, destijds ‘wettelijk buiten bereik’. Er wordt „nogal eens te gemakkelijk gedacht over de harde voorwaarden, die de wet stelt aan oplegging van tbs”. Oftewel: het hof deed wat het kon – meer mocht van de wetgever niet.

Dat is echter niet helemaal waar. Het is rechters toegestaan om ook zonder gedragsrapportage een verdachte tbs op te leggen. Bij eenderde van de ‘observatieweigeraars’ gaan rechters inderdaad zo ver, op basis van het gedrag op de zitting en de manier waarop het feit is gepleegd.

Het hof Arnhem had dus wel degelijk tbs kunnen opleggen – Faber heeft gelijk dat het veel te summiere arrest geen enkele indicatie geeft waarom dat hier juist niet te doen. Aan de strafmaat kleeft ook iets willekeurigs. Het Openbaar Ministerie eiste destijds zowel bij de rechtbank als bij het hof lagere straffen dan de rechter oplegde: 15 jaar en 10 jaar. Onduidelijk is waarom. De rechtspraak maakte daar 16 jaar en ten slotte 11 jaar van. Ook daar: waarom zo’n verschil? Het is niet bevredigend. De president van het hof noemt de vragen van Faber ‘logisch’. Zo is het. Maar veel schieten we met zijn antwoorden niet op.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.